Het hekwerk rondom het terrein van L'Ombre du Chêne was minstens drie meter hoog en bovenaan voorzien van scherpe rollen NAVO-prikkeldraad. Maar François kende het terrein beter dan de bewakers. Als voormalig boswachter in de regio wist hij dat de oude afwateringsbuis van de vijver uitkwam aan de noordzijde van het park.
We lieten de Land Rover achter in een dicht stuk bos en slopen naar de stenen muur waar de afvoerbuis doorheen liep. De opening was afgesloten met een roestig ijzeren hekwerk, maar het slot was door de jaren heen door de vochtige lucht volledig doorgevreten.
Met een zware wrikijzer dat François uit de auto had meegenomen, zette hij kracht op de spijlen. Met een luid knarsend geluid boog het ijzer mee.
"Kruip erdoor," fluisterde hij.
Eén voor één wurmden we ons door de smalle opening. We kwamen uit in het dichtbegroeide park van het landhuis. De hoge rhododendronstruiken boden een perfecte dekking.
Het hoofdgebouw doemde voor ons op. Het was nog imposanter en grimmiger van dichtbij. De ramen op de begane grond waren voorzien van dikke, siersmeedijzeren tralies. Aan de gevel hing een netwerk van beveiligingscamera's die langzaam heen en weer draaiden.
"De camera's hebben een dode hoek bij de oude stookruimte," fluisterde François, terwijl hij op het getekende kaartje van Sofie wees. "Als we via de kelderdeur naar binnen gaan, vermijden we de receptie."
We slopen van struik tot struik, gebruikmakend van het geluid van de ruisende wind door de dennenbomen om onze stappen te maskeren.
De deur van de stookruimte was van zwaar houten beslag voorzien, maar het slot was een eenvoudig klapslot. François stak een gehard stalen pennetje in het sleutelgat, draaide er een paar keer aan met een geoefende hand, en met een zachte klik sprong de deur open.
We glipten naar binnen.
De lucht in de kelder was warm, droog en rook naar stookolie en chloor. Een continu, laag gonzend geluid van de verwarmingsketels vulde de ruimte.
We stonden in een lange, tegelgang die verlicht werd door schelle tl-balken. Aan het einde van de gang bevond zich een zware, stalen deur met een elektronisch cijferslot en een kaartlezer. Ernaast hing een bordje: Afdeling B - Strikte Observatie.
"Dit is het," zei ik, mijn adem stokte. "Hier zit ze."
François keek naar het elektronische slot. "Zonder kaart of code komen we hier niet doorheen. Dit is gepantserd staal. Dat wrikken we niet open."
Net op dat moment klonk het geluid van voetstappen aan de andere kant van de stalen deur.
Een bliepje klinkt. De rode LED op de kaartlezer sprong op groen.
"Verstop je!" fluisterde François.
We doken weg achter een stel grote, roestvrijstalen waskarren die tegen de muur geparkeerd stonden.
De zware stalen deur zwaaide open. Een man in een witte doktersjas kwam naar buiten gelopen. Hij keek op zijn mobiele telefoon en bracht een sigaret naar zijn lippen. Het was de jonge dokter die op de foto achter de rolstoel van Sofie stond.
Hij liep naar een kleine uitsparing in de gang waar een afzuiginstallatie hing, waarschijnlijk om stiekem een peuk op te steken.
François keek me aan. Er lag een gevaarlijke vastberadenheid in zijn ogen. Hij stak drie vingers op, telt af: drie... twee... één.
Zonder een geluid te maken kwam François achter de waskar vandaan. Met de snelheid van een man die jarenlang in de wildernis had overleefd, sloot hij de afstand overbruggen. Voordat de arts kon reageren of schreeuwen, sloeg François zijn arm om de nek van de man en klemde zijn keel dicht.
De arts worstelde wanhopig, zijn voeten kletterden tegen de tegels, maar na tien seconden werd zijn weerstand minder en zakte hij bewusteloos in elkaar.
François liet hem op de grond glijden. Ik snel naar hem toe en doorzocht de zakken van zijn witte jas.
Mijn vingertoppen raakten een plastic kaartje. Een witte sleutelkaart met het cirkelvormige logo van de kliniek.
"Ik heb hem!" fluisterde ik.
We trokken de arts achter de waskarren en bonden zijn handen en voeten vast met de kabel van een oude stofzuiger die er lag. François stopte een zakdoek in de mond van de man.
Ik liep naar de stalen deur en haalde de sleutelkaart langs de lezer.
Bliep.
Het slot ontgrendelde met een luide, mechanische klik.
We duwden de deur open en stappen afdeling B binnen.
De sfeer hier was nog beklemmender. De gang was geverfd in een koud, ziekenhuisgroen. Aan weerszijden stonden zware deuren met kleine, gewapende glazen kijkvensters.
Ik rende van deur tot deur en keek door de kleine vensters naar binnen.
Cel 101... leeg.
Cel 102... een oude man die voor zich uit staarde.
Cel 103...
Mijn hart stond stil.
In cel 103 zat een jonge vrouw op de rand van een smal metalen bed. Haar haren waren dof, haar gezicht bleek, maar het was Sofie. Ze droeg een eenvoudig wit operatiehemd.
"Sofie!" riep ik, terwijl ik op het glas klopte.
De jonge vrouw keek langzaam op. Haar ogen waren dof, alsof ze zwaar onder de medicijnen zat. Maar toen ze mijn gezicht achter het raam zag, veranderde haar blik. Een vonk van herkenning en ongeloof verlichtte haar ogen.
"Mam?" bracht ze er stotterend uit.
Ik haalde de kaart langs het slot van haar celdeur. De deur sprong open.
Ik vloog naar binnen en sloeg mijn armen om mijn dochter. Ze trilde over haar hele lichaam. "Je bent gekomen... je hebt het gevonden..."
"Natuurlijk ben ik gekomen, kind," snikte ik, terwijl ik haar gezicht in mijn handen nam. "We gaan hier weg. Nu."
"Ze... ze hebben me iets ingespoten," mompelde Sofie, haar stem was traag. "Mijn benen... ik kan nauwelijks lopen..."
François kwam de cel binnen en tilde Sofie zonder twijfel in zijn armen. "Ik draag haar. We moeten maken dat we wegkomen."
We stormden de cel uit, terug naar de stalen doorgangsdeur.
Maar net toen we de drempel over wilden steken om terug naar de stookruimte te gaan, schalde er een loeiend alarmsignaal door de gangen.
Een rode flitslamp aan het plafond begon meedogenloos te draaien.
De stalen deur voor ons viel met een harde klap dicht. De kaartlezer kleurde rood en gaf een continue, hoge pieptoon.
Aan de andere kant van de gang, bij de hoofdtrap, ging de deur open.
Herman kwam langzaam de trap af gelopen, gevolgd door Dokter Vance en twee grote, gewapende beveiligers.
Herman keek naar mij, naar François met Sofie in zijn armen, en een kille, triomfantelijke glimlach verscheen op zijn gezicht.
"Het is voorbij, Rita," zei Herman kalm. "Jullie hebben het geprobeerd. Maar niemand verlaat dit huis zonder mijn toestemming."






