Het geluid van de metalen munt die in de gleuf van het slot werd gestoken, klonk in de kleine, betegelde badkamer als het doorslaan van een vuurwapen. Mijn hart sloeg een slag over. Mijn vingers verkrampten rond het crèmekleurige papier en met een instinctieve beweging propten mijn handen het document diep onder de zijkant van het wastafelmeubel, waar een smalle opening zat tussen de plint en de vloer. De blauwe snelhechter duwde ik onder de stapel schone handdoeken in het kastje onder de wasbak.
"Rita? Doe eens open. Je gedraagt je vreemd," zei Hermans stem opnieuw. Er zat geen woede in zijn toon, en dat maakte het juist zo beangstigend. Het was de beheerste, zakelijke stem waarmee hij vroeger complexe belastingaangiftes controleerde.
Met een luide klik schoot het slot open. De deur zwaaide langzaam naar binnen.
Ik zat nog steeds op de koude vloer, mijn knieën opgetrokken, mijn ademhaling gejaagd. Herman stond in de deuropening. In zijn rechterhand hield hij inderdaad een koperen muntje van vijftig cent. Hij keek naar mij neer, zijn gelaatstrekken onbeweeglijk als een gegoten masker.
"Wat doe je op de grond?" vroeg hij. Hij stak zijn vrije hand uit. "Kom eens overeind."
Ik keek naar zijn hand. Veertigtal jaren lang had ik die hand vastgehouden tijdens wandelingen door de Hoge Venen, bij de geboorte van Sofie, bij het afscheid van mijn ouders. Nu leek het de hand van een vreemde, een bedreiging.
"Ik... ik werd onwel, Herman," stotterde ik, terwijl ik me opdrukte tegen de rand van het toilet. Ik weigerde zijn hand aan te raken. "Mijn bloeddruk schoot omhoog. Een aanval van hyperventilatie."
Hermans ogen gleed langzaam door de badkamer. Ze rustten even op het geopende handdoekenkastje, zweefden over de vloer bij de wasbak en kwamen uiteindelijk weer bij mij terecht. "En de telefoon? Wie was dat net aan de lijn?"
"Een enquêteur," loog ik, mijn stem klinkend als dun glas dat op het punt stond te breken. "Iets over een consumentenonderzoek. Ik heb gewoon opgevangen."
Herman zweeg. Vijf seconden. Tien seconden. De stilte tussen ons werd zo zwaar dat de lucht doordrenkt leek van spanning. "Een enquêteur," herhaalde hij zacht. hij stak de munt terug in zijn broekzak. "Vreemd. Toen ik in de gang keek, zag ik dat de hoorn van de haak was gevallen. En de lijn stond nog open. Ik hoorde de kiestoon."
Hij zette een stap dichterbij en boog zich naar me toe. Ik kon de geur van zijn scheerwater ruiken — lavendel en tabak — een geur die me altijd comfort had geboden, maar nu misselijkmakend werkte. "Je weet dat je niet tegen me hoeft te liegen, Rita. Wij hebben geen geheimen voor elkaar. Nooit gehad ook."
"Natuurlijk niet," bracht ik eruit.
"Mooi," zei hij met een ijzige glimlach. "Kom naar de keuken. Ik heb een kop warme melk voor je gemaakt. Je moet rusten. Je ziet er uitgeput uit."
Hij draaide zich om en liep weg. Pas toen zijn voetstappen verstommen in de richting van de woonkamer, liet ik me weer tegen de muur glijden. Hij geloofde me niet. Hij wist dat ik loog. Maar wat nog erger was: hij wist blijkbaar iets van de blauwe map.
Toen ik het papier onder de plint vandaan viste en het in mijn bh verschool, besefte ik dat ik niet in dit huis kon blijven. De waarschuwing van Sofie brandde in mijn geheugen: Vertrouw niemand. Ook papa niet.
Die avond heerste er een beklemmende rust in huis. Herman zat in zijn vertrouwde fauteuil bij het raam te lezen. Hij sloeg de bladzijden van zijn boek om met een regelmatig, bijna mechanisch ritme. Ik zat op de bank en deed alsof ik breide, maar mijn gedachten raasden als een dolgedraaide molen.
In de paperas die ik in het toilet had bekeken, stond het logo van een privékliniek genaamd L'Ombre du Chêne, gevestigd in de buurt van Spa, in de Ardennen. Mijn naam stond vermeld onder een kopje 'Toestemming tot overdracht en langdurige verpleging'. Het was een opnameformulier voor een psychiatrische inrichting. En onderaan, bij de handtekening van de gemachtigde, stond niet mijn eigen handtekening, maar die van Herman.
Donderdag. Over zes dagen zou ik blijkbaar ergens heen worden gebracht. Tegen mijn wil. En Sofie had dat ontdekt.
Rond elf uur 's avonds ging Herman naar boven. "Kom je niet, Rita?" vroeg hij vanaf de trap.
"Ik kom zo," antwoordde ik. "Ik ruim de keuken nog even op."
Ik wachtte. Ik wachtte tot het licht in de hoofdslaapkamer uitging. Ik wachtte tot ik het diepe, regelmatige ademhalen van mijn echtgenoot door het plafond hoorde klinken. Pas om twee uur 's nachts kwam ik in beweging.
Met de uiterste voorzichtigheid schoof ik mijn voeten in mijn wandelschoenen. Ik pakte mijn regenjas van de kapstok en greep mijn handtas, waarin ik mijn portemonnee, mijn paspoort en een reserve-autosleutel had gestopt. Mijn handen trilden zo erg dat het sleutelbosje tinkelde. Ik klemde het tegen mijn borst om het geluid te dempen.
Ik glipte via de achterdeur naar buiten. De nachtlucht in Mechelen was koud en vochtig. Een lichte motregen viel over de stille straat. Onze oude Volvo stond op de oprit. Ik durfde de deuren niet met de afstandsbediening van het slot te halen vanwege het piepgeluid, dus stak ik de sleutel handmatig in het slot en draaide hem zo langzaam mogelijk om.
Klik.
Ik stapte in, liet de deur op een kier staan om het geluid van het dichtslaan te vermijden, en liet de auto in zijn vrij uit de oprit rollen, de straat op. Pas toen we vijftig meter verderop in het duister stonden, trapte ik de koppeling in en startte de motor. De motor sloeg aan met een rauw gebrom.
In mijn binnenspiegel keek ik nog één keer achterom naar het huis waar ik veertig jaar lief en leed had gedeeld.
Op de eerste verdieping ging het licht van de slaapkamer aan.
Een silhouet verscheen achter het raam. Herman. Hij stond daar, roerloos, en keek strak naar beneden, naar mijn auto.
Een golf van pure paniek overspoelde me. Ik trapte het gaspedaal in en de Volvo schoot vooruit, de duistere nacht in. Ik had geen plan, geen bestemming, behalve één aanwijzing: de telefooncel in Luik en de naam van de kliniek in Spa.
Terwijl ik de snelweg E40 opreed richting het oosten, begon het harder te regenen. De ruitenwissers sloegen ritmisch over de voorruit: wip-wap, wip-wap. Bij elk viaduct dat ik passeerde, keek ik angstvallig in mijn achteruitkijkspiegel.
Na veertig minuten rijden zag ik in de verte koplampen verschijnen. Een zwarte SUV bleef op constante afstand achter me rijden. Welke baan ik ook koos, de wagen paste zijn snelheid aan. Als ik sneller ging, versnelde hij. Als ik afremde, remde hij ook.
Mijn handen verkrampten om het stuur. Het was geen toeval. Herman had geweten dat ik zou vluchten. Of erger nog: hij had niet alleen gehandeld.
Mijn telefoon, die op de passagiersstoel lag, begon plotseling te trillen. Het scherm lichtte op. Anoniem nummer.
Met een trillende hand nam ik op en zette de luidspreker aan. "Hallo?"
"Rita," sprak een stem. Het was niet Herman. Het was een vrouwenstem, koud, zakelijk en meedogenloos. "Je maakt een grote fout. Keer om. Sofie is niet wie je denkt dat ze is."
"Wie bent u?" schreeuwde ik tegen de luidspreker, terwijl de zwarte SUV achter mij zijn grootlicht inschakelde en mijn binnenspiegel vulde met een verblindend, wit licht. "Waar is mijn dochter?!"
"Als je de snelweg niet verlaat bij de volgende afslag," zei de stem ijzig, "zal de auto achter je ervoor zorgen dat je de ochtend niet haalt."
Voordat ik kon reageren, voelde ik een harde stoot tegen de achterbumper van mijn Volvo. De auto slingerde gevaarlijk over de natte asfalten weg.






