De zware hoorn raakte de man vol op de zijkant van zijn hoofd. Een doffe klap weerklonk, gevolgd door een binnensmonds gevloek. Hij steigerde achteruit en greep naar zijn slaap, waar onmiddellijk bloed tussen zijn vingers door sijpelde.
Ik wachtte geen seconde. Ik duwde het deurtje van de telefooncel open, rende langs hem heen en zette het op een lopen richting de glazen hoofdingang van het station Liège-Guillemins. Mijn oude knieën protesteerden bij elke stap, maar de adrenaline die door mijn lijf gierde, verdoofde de pijn.
Het station was op dit uur van de nacht vrijwel uitgestorven. De gigantische, witte bogen van het dak reikten omhoog in de duisternis. Het geluid van mijn stappen op de glimmende marmeren vloer echode hol door de immense ruimte. Een enkele schoonmaker met een grote dweilmachine keek op toen ik voorbij snelde, maar bemoeide zich er niet mee.
Ik volgde de bordjes naar de bagagekluisjes in de kelderverdieping. De roltrap lag stil, dus rende ik de stenen treden af.
Beneden was het koud en rook het naar schoonmaakmiddel en olie. Rijen lange, metaalgrijze kluisjes stonden in strakke formaties opgesteld. Ik zocht gehaast naar nummer 114.
80... 92... 105... daar was hij. Kluis 114.
Mijn handen trilden zo erg dat ik het kleine koperen sleuteltje nauwelijks in het slot kreeg. Eén keer, twee keer gleed het er naast. Achter mij hoorde ik in de verte het geluid van een klappende deur boven aan de trap. Hij was achter me aan gekomen.
Met een wanhopige ruk draaide ik de sleutel om. Het slot klikte.
Ik trok het deurtje open. In de kluis lag een zwarte, leren laptoptas. Ik greep de tas, sloot de kluis niet eens meer en keek rond. Er was een uitgang aan de achterzijde van de kluizenruimte die leidde naar een ondergrondse parkeergarage en de sporen.
Ik rende de gang in, de zwarte tas stevig onder mijn arm geklemd.
Ik kwam uit op Perron 4, waar een vroege stoptrein naar Pepinster en Spa klaarstond voor vertrek. De deuren stonden open, het piepsignaal dat het sluiten van de deuren aankondigde klonk al door de luidsprekers.
Zonder na te denken sprong ik door de deuren, net voordat de rubberen randen met een doffe klap opeensloten. De trein schokte en kwam langzaam in beweging.
Door de ramen van het treinstel zag ik de man met het litteken op het perron verschijnen. Hij was buiten adem, zijn gezicht besmeurd met bloed. Zijn ogen zochten de ramen van de voorbijrijdende wagens. Heel even kruisten onze blikken elkaar door het dubbele glas. Hij stak zijn hand op en maakte een snijdend gebaar langs zijn keel.
Ik zakte weg in een van de vieze, blauwe stoelen van de lege coupé. Mijn ademhaling was zo piepend dat het leek alsof mijn longen in brand stonden.
De trein versnelde en liet de lichten van Luik achter zich. We reden de donkere Ardennen in.
Met trillende vingers rits ik de laptoptas open. Er zat geen computer in.
In plaats daarvan bevatte de tas een dik, zwart notitieboek met een lederen band, een stapel uitgedrukte foto's en een USB-stick.
Ik pakte de foto's als eerste. Ze waren stiekem genomen, vanuit een auto of een bosje.
De eerste foto toonde een groot, afgelegen landhuis omringd door hoge dennenbomen. Het bord op het hek was net leesbaar: Clinique L'Ombre du Chêne.
De tweede foto deed de adem in mijn keel stokken.
Het was een foto van Herman. Hij stond op het terras van datzelfde landhuis, in gesprek met een elegante, oudere vrouw met grijs opgestoken haar en een maatpak. De vrouw droeg een gouden broche in de vorm van een cirkel met een gestileerde boom erin — hetzelfde logo dat op het document in de blauwe map stond.
Maar het was de derde foto die mijn wereld definitief liet instorten.
Op de foto stond Sofie. Ze zat in een rolstoel op het terrein van de kliniek. Haar gezicht was mager, haar ogen staarden hol in de verte. En achter haar stond een jongere man in een witte doktersjas, die zijn hand op haar schouder hield.
Op de achterkant van de foto had Sofie iets geschreven:
"Ze halen mijn herinneringen weg, mam. Herman verklaart me gek om het geld van de stichting te krijgen. De overdracht is op donderdag. Als ik er dan nog ben, besta ik niet meer."
Tranen van woede en verdriet stromen over mijn wangen. Mijn man, de man met wie ik veertig jaar lief en leed had gedeeld, was bezig onze eigen dochter op te sluiten in een illegale inrichting om haar het zwijgen op te leggen.
Maar waarom? Welk geld? Welke stichting?
Ik sloeg het zwarte notitieboek open. Op de eerste pagina stond een stamboom. Bovenaan stond de naam van mijn grootvader, een man die in de jaren '50 een fortuin had vergaard in de chemische industrie, een fortuin waarvan ik altijd had gedacht dat het verdwenen was door slechte investeringen.
Onderaan de stamboom stond mijn naam: Rita Van de Ven. En daarnaast stond een aantekening in Hermans handschrift:
"Rita is de enige erfgename. Bij overlijden of wilsonbekwaamheid gaat het beheer over op de echtgenoot."
Mijn bloed werd ijs- en ijskoud.
Het document in de badkamer... de opnameformulieren... het was niet alleen bedoeld voor Sofie. Het was voor mij.
Plotseling ging de deur tussen de treinstellen met een sissend geluid open.
De conductrice kwam binnenlopen? Nee. Het was een vrouw. Een elegante, oudere vrouw met grijs opgestoken haar, gekleed in een strak maatpak. Op haar revers droeg ze een gouden broche met het cirkelvormige logo.
Ze keek me aan met een ijzige, bijna meelijwekkende glimlach.
"Mevrouw Van de Ven," zei ze, terwijl de trein een donkere tunnel in reed. "Uw echtgenoot heeft ons verteld dat u de neiging heeft om te dwaallichten. Gelukkig hebben we u op tijd gevonden."






