De naam François bleef in mijn hoofd rondzingen terwijl de ijskoude ochtendmist door mijn regenjas drong. François, mijn jongere broer. Hij was vierentwintig toen hij spoorloos verdween. Herman had me destijds de politierapporten laten zien: een gecrashte auto in de rivier de Amblève, een lichaam dat nooit was teruggevonden vanwege de sterke stroming. Ik had hem beweend, ik had een lege kist begraven op het kerkhof van Mechelen.
Had Herman mij dertig jaar geleden al belogen?
Ik richtte me moeizaam op. Mijn rechterknie was stijf van de val op het ballastbed en mijn schouder klopte van de pijn. Maar de ontdekking dat François mogelijk nog leefde, gaf me een vreemde, koortsachtige energie.
Sart-lez-Spa was een klein, schilderachtig dorpje dat een paar kilometer hoger op de heuvelrug lag. Ik vermeed de hoofdwegen en volgde de smalle wandelpaden die door de dichtbegroeide dennenbossen slingerden. Elk geluid — een knappend takje, het roepen van een kraai — deed me opschrikken en achter een boomstam dekking doen zoeken.
Na anderhalf uur zwerven door de drassige bossen doemden de eerste stenen huisjes van Sart-lez-Spa op uit de mist. Het dorp lag er verlaten bij. Het was iets na zevenen 's ochtends. Rook steeg op uit een paar schoorstenen en de geur van brandend hout hing in de lucht.
Ik vond de Rue des Fontaines, een steil kasseienstraatje dat omhoog liep naar de dorpsrand. Nummer 12 was een oud, half vervallen stenen huisje met houten luiken die groen waren geverfd. De tuin lag er verwaarloosd bij, vol overwoekerd onkruid en dode bremtakken.
Ik liep naar het houten hekje en keek om me heen. Geen zwarte SUV's. Geen vreemdelingen.
Ik stapte het erf op en klopte met mijn knokkels op de zware eiken voordeur.
Geen gehoor.
Ik klopte nogmaals, harder dit keer. "François?" riep ik met een schorre stem. "Ben jij daar?"
Aan de zijkant van het huis hoorde ik het knarsen van grind. Ik verstijfde.
Een man kwam de hoek om gelopen. Hij droeg een versleten werkjas, een verfomfaaide pet en hield een zware, ijzeren houthakbijl in zijn hand. Hij was mager, zijn gezicht was diep groefd door de tijd, en hij had een grijze, onverzorgde baard. But toen hij zijn hoofd hief en zijn ogen de mijne ontmoetten, herkende ik ze onmiddellijk.
Het waren de azuurblauwe ogen van onze moeder.
De man liet de bijl uit zijn handen glijden. Hij viel met een doffe klap in het natte gras.
"Rita?" fluisterde hij. Zijn stem klonk Alsof hij in dertig jaar geen woord had gesproken. "Mijn god... Rita?"
"François..." snikte ik.
We vlogen elkaar in de armen. De ontlading was zo overweldigend dat mijn benen het begaven. Hij ving me op en klemde me tegen zich aan. Hij rook naar houtrook, tabak en het verstrijken van de tijd. We stonden daar in het natte gras te huilen als twee kinderen die verdwaald waren in het donker.
"Hij heeft gezegd dat je dood was," bracht ik eruit toen we in zijn kleine, sobere woonkamer zaten bij een kachel die knetterde van het droge hout. François schonk een mok sterke, zwarte koffie voor me in.
"Ik weet het," zei François grimmig. hij ging tegenover me zitten en wreef over zijn gelaat. "Herman heeft het meedogenloos gespeeld. Dertig jaar geleden ontdekte ik wat hij aan het doen was met het familiekapitaal van de Van de Ven's. Onze vader had een trustfonds opgericht in Zwitserland. Herman had de handtekeningen vervalst om toegang te krijgen tot de rekeningen."
"Toen ik hem ermee wou confronteren," vervolgde François, "heeft hij mijn auto van de weg gedrukt bij de Amblève. Ik heb de crash overleefd, maar ik wist dat als ik terugkeerde, hij me af zou maken. Of erger: hij zou jou iets aandoen om mij onder druk te zetten. Ik moest verdwijnen."
Ik staarde in mijn mok koffie, terwijl het ijskoude besef tot me doordrong. Mjin hele volwassen leven was een leugen geweest. De man met wie ik had gelachen, vakanties had gevierd, de man die mijn kinderen had gewiegd... was een sociopaat.
"En Sofie?" vroeg ik met een trillende stem. "Sofie heeft je gevonden?"
François knikte langzaam. "Een paar maanden geleden begon Sofie vragen te stellen. Ze werkte als accountant en kwam onregelmatigheden tegen in Hermans persoonlijke administratie. Ze vond sporen van de geldstromen naar L'Ombre du Chêne. Ze is het spoor gaan volgen en kwam uiteindelijk bij mij terecht."
"Ze heeft de blauwe map verborgen in ons huis," zei ik. "En een document... waarop staat dat ik over vijf dagen naar de kliniek word gebracht."
François' gezicht werd strak van woede. "Dat is hun patroon. Ze gebruiken L'Ombre du Chêne als een privé-gevangenis voor rijke erfgenamen. Dokter Vance krijgt miljoenen toegeschoven om mensen wilsonbekwaam te verklaren. Zodra jij bent opgesloten, heeft Herman de volledige controle over de laatste restanten van het kapitaal."
"We moeten naar de politie!" schreeuwde ik.
"De politie?" François lachte bitter. "De korpschef van Spa zit in het bestuur van die kliniek, Rita. Herman heeft iedereen gekocht. Als we naar de politie stappen, leveren we onszelf rechtstreeks bij hen af."
hij stond op en liep naar een oude houten kast in de hoek van de kamer. Hij haalde er een gedetailleerde landkaart van de streek en een klein, zwart apparaatje uit.
"Er is maar één manier om Sofie te redden en Herman te stoppen," zei François. "We moeten inbreken in L'Ombre du Chêne. Vondnacht."
"Vannacht?" vroeg ik geschokt.
"Morgen is het donderdag," zei François, terwijl hij op de kaart wijst. "De overdracht vindt niet plaats in de kliniek. Vance brengt Sofie morgenochtend naar een privé-vliegtuig op het vliegveld van Spa-La Sauvenière. Van daaruit vliegen ze naar een inrichting in Zwitserland. Als ze het vliegtuig instapt, zien we haar nooit meer terug."
Ik keek naar de kaart. Het landhuis lag verscholen in een dichte bosvallei, drie kilometer van ons vandaan.
Op dat moment klonk er buiten een dof, stationair draaiend motorgeluid.
François snelde naar het raam en gluurde door de houten luiken. Zijn gezicht werd spierwit.
"Hoe zijn ze je gefolgd, Rita?" fluisterde hij paniekerig.
Ik schrok en reikte naar mijn regenjas. In de binnenzak voelde ik de laptoptas die ik uit het kluisje van Sofie had gehaald. Ik graaide erin en trok het kleine, zwarte notitieboekje tevoorschijn.
Tussen de bladzijden geklemd zat een klein, knipperend rood lampje. Een GPS-tracker.
"Nee..." fluisterde ik.
Buiten klonk het geluid van sluitende autodeuren. En daarna de stem van Herman, doordringend en ijskoud via een megafoon:
"Rita? François? Ik weet dat jullie daarbinnen zijn. Komen jullie vrijwillig naar buiten, of moeten we het huis platbranden?"






