Het kantoor van de Federale Recherche in Brussel was een wereld van verschil met de grauwe, historische muren van L'Ombre du Chêne. Hier heerste een sfeer van TL-licht, de geur van koude koffie en het constante geklik van toetsenborden. Maar de dreiging voelde niet minder echt.
Het was vrijdagmiddag. Twee dagen waren verstreken sinds de inval in Spa. Sofie lag in het ziekenhuis van Leuven, waar ze langzaam herstelde van de verdovende middelen die ze haar hadden toegediend. François en ik waren ondergebracht in een beveiligd safehouse in de rand van Brussel.
Commissaris De Smet schoof een dik dossier over het bureau.
"Herman zwijgt als het graf," zei De Smet, terwijl hij een schepje suiker in zijn koffie roerde. "Zijn advocaten proberen hem op medische gronden vrij te krijgen. Vance heeft wel gepraat, maar ze kent alleen een schuilnaam: Le Corbeau — De Raaf."
Ik streek over mijn voorhoofd. Mijn schouder deed nog steeds pijn van de val in de trein, maar de mentale vermoeidheid was duizendmaal erger. "Wie is die Raaf, commissaris?"
De Smet sloeg het dossier open. Foto's van internationale bankstransacties, overzeese trustfonds-constructies en schimmige vastgoedbedrijven vulden de pagina's.
"Het Zwitserse geld dat uw vader heeft achtergelaten," legde De Smet uit, "is dertig jaar geleden niet zomaar doorgesluisd naar Herman. Herman had de logistieke kennis niet om honderden miljoenen weg te sluizen via offshore-rekeningen in Panama en Liechtenstein. Hij had hulp. Van iemand die heel hoog in het Belgische financiële stelsel zit."
François, die bij het raam stond en de straat nauwlettend in de gaten hield, draaide zich om. "Mijn vader werkte in de jaren zeventig nauw samen met Baron Henri de Coster. De Bank de Coster."
De Smet knikte langzaam. "Precies. De Coster. De oude baron is tien jaar geleden overleden, maar zijn dochter, Barones Charlotte de Coster, heeft het imperium overgenomen. En raad eens wie er in het bestuur zit van de stichting die de gronden van L'Ombre du Chêne verhuurt?"
"Charlotte de Coster," fluisterde ik.
"Ze gebruikt de kliniek niet alleen om lastige erfgenamen op te sluiten," zei De Smet. "Ze gebruikt het om zwijggeld te persen uit de rijkste families van het land. Als een rijke familie een schandaal heeft — een drugsverslaafde zoon, een buitenechtelijk kind, een erfgenaam die uit de school wil klappen — regelt de kliniek dat die persoon 'verdwijnt'. In ruil daarvoor krijgt De Coster de controle over hun fondsen."
"En Herman was haar loopjongen," zei François verachtelijk.
"Herman was haar financieel uitvoerder," gecorrigeerd De Smet. "Maar nu Vance en Herman vastzitten, is De Coster in paniek. En een panikerende barones met miljarden achter zich is levensgevaarlijk. Ze weet dat de USB-stick die u heeft, de sleutel is tot haar hele imperium."
"Waar is die USB-stick nu?" vroeg ik.
"In ons forensisch lab," antwoordde De Smet. "Onze experts zijn bezig de encryptie te kraken. Maar het is een militair encryptiesysteem. Sofie heeft het extreem goed beveiligd. Ze heeft een 'dead man's switch' ingebouwd. Als we drie keer de verkeerde code invoeren, wist de stick zichzelf definitief."
"Sofie kan de code geven," zei ik.
"Sofi's geheugen is door de medicatie zwaar aangetast, mevrouw Van de Ven," zei De Smet ernstig. "Ze weet niet meer welke code ze heeft gebruikt. De artsen zeggen dat het weken kan duren voordat haar herinneringen terugkeren. Als ze al ooit volledig terugkeren."
Mijn hart kromp in elkaar. Mijn arme, dappere dochter. Ze had haar eigen geest op het spel gezet om ons te redden.
Op dat moment ging de telefoon op het bureau van De Smet. Hij nam op, luisterde een paar seconden, en zijn gelaatstrekken verstrakten.
"Wanneer?" vroeg hij kort. "Begrepen. Ik ben er zo."
Hij hing op en keek ons aan.
"Wat is er gebeurd?" vroeg François.
"Herman is zojuist overgebracht van de gevangenis van Lantin naar het gevangenisziekenhuis," zei De Smet. "Hij is vergiftigd tijdens het middageten. Hij ligt in coma. De dokters geven hem weinig kans."
Een schok golfde door mijn lichaam. "Vergiftigd? In de gevangenis?!"
"De arm van Charlotte de Coster reikt ver," zei De Smet grimmig. "Ze ruimt de losse eindjes op. En ik ben bang dat u en uw broer de volgende op haar lijst zijn."
Hij stond op en pakte zijn jas. "We moeten u overbrengen naar een nog veiliger locatie. Een schuiladres van de staat buiten Brussel."
We liepen via de beveiligde parkeergarage naar de onopvallende grijze wagen van de recherche. Twee gewapende escortes reden voor ons uit.
Terwijl de auto door de drukke straten van Brussel reed, keek ik naar de voorbijtrekkende mensen. Ze winkelden, dronken koffie op terrassen, leefden hun normale levens. Ze hadden geen idee van de duistere, parallelle wereld die zich afspeelde achter de elegante gevels van de banken en kasteelparken.
Mijn telefoon — een blanco prepaid toestel dat de politie me had gegeven — trilde in mijn tas.
Ik nam op.
"Rita," sprak een ijzige, hooghartige vrouwenstem. "Je echtgenoot was een zwakkeling. Hij kon de druk niet aan."
Mijn adem stokte. "Barones de Coster..."
"Slimme meid," zei de stem. "Luister heel goed. De politie kan je niet beschermen. Ik bezit de mensen die jouw bewakers betalen. Als je wil dat je dochter Sofie de nacht overleeft in het ziekenhuis van Leuven, breng je me de USB-stick. Vandaag. Om zes uur."
"Waar?" bracht ik er met moeite uit.
"Het Kasteel van van Bouchout in Meise," zei ze. "Krom alleen. Als ik één politiewagen zie, stopt de hartbewaking van je dochter."
De verbinding werd verbroken.
Ik keek naar François, die naast me zat. Hij zag de dodelijke bleekheid op mijn gezicht.
"Rita? Wie was dat?"
Ik keek naar de commissaris voorin de wagen. Ik wéét dat de Barones niet loog. Ze had Herman in een zwaarbeveiligde cel laten vergiftigen. Het ziekenhuis in Leuven was voor haar een koud kunstje.
Ik moest een keuze maken. Een keuze tussen het recht... en het leven van mijn kind.






