DE SCHADUW IN HET HUIS
News Story

DE SCHADUW IN HET HUIS

31 weergaven

De impact van de aanrijding deed de Volvo met een krijsend geluid van banden over de kletsnatte snelweg glijden. Mijn handen verkrampten om het stuurwiel. Met al de kracht die ik in mijn 68-jarige lichaam had, stuurde ik tegen de slippartij in. De auto herstelde zich miraculeus, maar het rode waarschuwingslampje van de motor begon gevaarlijk te knipperen op het dashboard.

In de spiegel zag ik de zwarte SUV weer dichterbij komen. Zijn grootlichten sneden door de duisternis als twee snijdende lasers. De afslag Waremme doemde op in de verte, verlicht door een eenzame straatlantaarn.

Zonder richting aan te geven gooide ik het stuur naar rechts. De Volvo vloog over de uitvoegstrook, de banden verloren even grip op het natte spoor van bladeren en water, maar we haalden de bocht. De SUV volgde me niet meteen; hij schoot rechtdoor op de snelweg, alsof de bestuurder de plotse wending niet had verwacht.

Ik wist dat dit me slechts een paar minuten winst opleverde. Ze zouden keerders maken bij de volgende aansluiting.

Ik reed over een donkere, afgelegen gewestweg die door het platteland van Wallonië slingerde. Het landschap was hier ruw en verlaten. De regen kletterde ongenadig hard tegen de voorruit. Mijn hart klopte zo snel in mijn keel dat ik nauwelijks kon ademhalen. Wie was die vrouw aan de telefoon? En wat bedoelde ze met: Sofie is niet wie je denkt dat ze is?

Na twintig minuten over secundaire wegen te hebben gecrossed, bereikte ik de buitenwijken van Luik. De stad lag er bij als een natte, grijze reus onder een deken van lage bewolking. Het was bijna vier uur in de ochtend.

Sofie had gebeld vanuit een openbare telefooncel. In een tijd waarin bijna iedereen een mobiele telefoon op zak heeft, zijn openbare telefooncellen schaars geworden. Maar ik wist dat op het plein vlak bij het station Liège-Guillemins nog een oud type glazen cel stond — een plek waar pendelaars vroeger hun laatste munten opmaakten.

Ik parkeerde de Volvo drie straten verderop in een donkere steeg, onder de overhangende takken van een grote eikenboom. Ik verstopte de sleutel onder de mat en stapte uit. Mijn regenjas bood nauwelijks bescherming tegen de striemende wind.

Het plein voor het station was verlaten. De imposante, futuristische overkapping van het station wierp vreemde, langgerekte schaduwen over de natte tegels. En daar, aan de rand van het plein, bij de bushaltes, stond de telefooncel.

Ik liep er met snelle, nerveuze passen naartoe, mijn blik continu over mijn schouder werpend.

De glazen wanden van de cel waren beschreven met graffiti en beslagen met condens. Ik duwde het deurtje open. De muffe geur van oud papier en vocht kwam me tegemoet. Het toestel hing aan de muur, het snoer licht gedraaid.

Ik bekeek het toestel nauwkeurig. Wat zocht ik eigenlijk? Een briefje? Een aanwijzing? Sofie had gezegd dat ze maar één minuut had.

Ik bukte me en keek onder de metalen plank waar het telefoontoestel op rustte. Niets. Alleen vuil en oude sigarettenpeuken. Toen keek ik naar de kleine gleuf waar het wisselgeld uit kwam als een gesprek niet doorging.

Ik stak mijn wijsvinger in de metaalachtige opening. Mijn vingertop raakte iets hards. Iets dat met een stukje plakband tegen het dakje van de opvangbak was getapet.

Met trillende nagels peuterde ik het los. Het was een klein, koperen sleuteltje. Er hing een plastic labeltje aan met een nummer: Bagagekluis 114 - Station Liège-Guillemins.

Mijn adem stokte. Sofie had dit achtergelaten. Ze wist dat ik haar spoor zou volgen.

Op dat moment hoorde ik het geluid van zware voetstappen op het natte beton achter me. Niet de gehaaste stap van een late reiziger, maar een traag, berekend stappen.

Ik draaide me langzaam om, het sleuteltje diep in mijn jaszak geklemd.

Een man met een lange, donkere regenjas en een diep over zijn ogen getrokken hoed stond op slechts vijf meter afstand. Het licht van de straatlantaarn viel net niet ver genoeg om zijn gezicht te onthullen, maar zijn gestalte was onmiskenbaar.

"Je had thuis moeten blijven, Rita," zei de man.

Het was niet Herman. De stem was jonger, rauwer.

"Wie bent u?" vroeg ik, terwijl ik achteruit week tot mijn rug tegen de glazen wand van de telefooncel stootte. "Wat hebben jullie met mijn dochter gedaan?"

De man deed een stap naar voren. Het licht van een voorbijrijdende veegwagen scheen heel even op zijn profiel. Hij had een diep litteken dat van zijn linkerwenkbrauw tot aan zijn kaaklijn liep. In zijn hand hield hij een klein, zwart voorwerp dat verdacht veel op een verdovingsspuit leek.

"Sofie heeft spullen gestolen die niet van haar zijn," zei hij ijzig. "En jij gaat me vertellen waar ze zijn."

"Ik weet van niets!" schreeuwde ik.

"Dat zult u zo meteen wel weten," antwoordde hij en hij deed een snelle haal naar voren.

In een paniekreactie greep ik de zware, gietijzeren hoorn van de openbare telefoon, trok de kabel zo ver mogelijk uit en zwaaide hem met volle kracht naar zijn gezicht.