DE SCHADUW IN HET HUIS
News Story

DE SCHADUW IN HET HUIS

31 weergaven

Het geluid van de megafoon echode tegen de granieten muur van het kleine huisje. De stem van Herman klonk vervormd, maar droeg een onmiskenbare dreiging met zich mee.

"We hebben vijf minuten, Rita," fluisterde François, terwijl hij naar de keukendeur rende. Hij schoof een zware eiken grendel voor de deur en bluste met een snelle beweging de kachel met een emmer water, om te voorkomen dat rook onze positie zou verraden.

"Wat gaan we doen?" vroeg ik, mijn hart beukte als een waanzinnige in mijn borstkas. "Ze zijn met meerderen!"

François keek door een spleetje in het houten luik aan de voorkant. "Er staan twee zwarte SUV's op het straatje. Vier... nee, vijf mannen. En Herman. Ze zijn gewapend."

Een harde klap weerklonk tegen de voordeur. Het hout kraakte gevaarlijk.

"Rita!" schreeuwde Herman van buiten. "Maak het niet erger dan het is! Je bent ziek! Je bent beïnvloed door je broer, die je jarenlang voor gek heeft gehouden! Kom naar buiten, dan regelen we dit medisch!"

"Hij liegt!" roep ik, hoewel mijn stem niet verder kwam dan een schor gefluister.

"Luister goed," zei François, terwijl hij me bij mijn schouders greep en me strak aankeek. "Onder de keukenvloer zit een oude smokkelkelder uit de Tweede Wereldoorlog. Die loopt uit in een afwateringskanaal achter het perceel. Het is smal, het is vies, maar het brengt ons buiten hun zichtlijn."

Opnieuw een harde klap. Het bovenste scharnier van de voordeur scheurde uit het kozijn.

François trok een versleten tapijt in de keuken opzij en tilde een houten luik op. Een donker, dof ruikend gat werd zichtbaar. Een steile houten trap leidde naar beneden.

"Ga eerst," beval hij.

Ik aarzelde niet. Ik klemde het notitieboek van Sofie onder mijn riem en daalde de steile treden af. François volgde en trok het houten luik boven ons dicht. Hij schoof een zware balk, die aan een touw hing, terug over het luik zodat het van bovenaf niet zomaar opengemaakt kon worden.

Het was aardedonker. François knipte een klein zaklampje aan. De lichtstraal onthulde een lage tunnel met vochtige, stenen muren. We moesten gebukt lopen. Het water stond tot aan onze enkels en was ijskoud.

Boven ons hoorden we het geluid van versplinterend hout. De voordeur was ingetrapt.

"Zoek het huis af!" hoorden we de stem van de man met het litteken schreeuwen. "Ze kunnen niet ver zijn!"

We haastten ons door de smalle tunnel. Elke stap door het drassige water veroorzaakte een kletsend geluid dat beangstigend hard klonk in de besloten ruimte. Na zo'n vijftig meter buog de tunnel naar rechts en begon flauw te stijgen.

In de verte zag ik een sprankje daglicht.

We kwamen uit in een dichtbegroeide greppel, verstopt onder een dikke laag bramenstruiken, tweehonderd meter achter het huis van François. We wurmden ons door de doornige takken naar buiten. Mijn handen en gezicht raakten gekrabd, maar ik voelde de pijn nauwelijks.

Achter ons steeg een dikke, zwarte rookkolom op boven de bomen.

Ik keek om. François' huisje stond in lichterlaaie. De vlammen sloegen uit het dak.

"Mijn god..." fluisterde ik. "Ze steken het in brand..."

François staarde met een verstrakte blik naar de rook. "Het maakt niet uit. Er lag niets van waarde meer. Alles wat we nodig hebben, zit in jouw hoofd en in die laptoptas."

Hij keek op zijn horloge. "Het is nu negen uur 's ochtends. Vance zal de voorbereidingen treffen om Sofie naar het vliegveld van Spa-La Sauvenière te brengen. Ze verwachten dat wij dood zijn, of opgesloten in die brandende ruïne."

"Wat is ons plan?" vroeg ik, terwijl ik de modder van mijn gezicht veegde.

"We gaan niet wachten tot morgen," zei François vastberaden. "We dringen NU binnen in L'Ombre du Chêne. Nu ze denken dat het gevaar geweken is, zal hun beveiliging in de kliniek op zijn zwakst zijn."

"Hoe komen we daar?"

François wees naar een oude, roestige schuur aan de rand van het bosperceel van de buren. "Ik heb daar al vijf jaar een oude Land Rover staan. Hij is niet moeders mooiste, maar hij rijdt."

Tien minuten later veroorzaakte de oude dieselmotor van de Land Rover een luid gegrom. François stuurde de wagen via de onverharde boswegen, buiten de hoofdwegen om, richting de vallei waar de kliniek lag.

Terwijl we over de hobbelige wegen raceten, sloeg ik het zwarte notitieboek van Sofie weer open.

Op de laatste bladzijde vond ik een getekende plattegrond van het landhuis. Sofie had heel gedetailleerd de ruimtes in kaart gebracht.

Eén specifieke ruimte was met rode inkt omcirkeld: Kelderverdieping Oost - Afdeling B. En daarbij stond geschreven: "Hier houden ze de 'ongewensten'. Sleutelkaart nodig van Dokter Vance."

"François," zei ik, terwijl ik naar de kaart keek. "We hebben een sleutelkaart nodig. Zonder dat komen we de kelder niet in."

François keek strak naar de weg voor ons. "Dan zorgen we dat we er een te pakken krijgen."

De wagen stopte op een heuvelrug die uitkeek over de vallei. Beneeën ons, verscholen tussen gigantische dennenbomen en omringd door een hekwerk met prikkeldraad, lag L'Ombre du Chêne.

Het gebouw zag er indrukwekkend en sinister uit. Een neogotisch landhuis uit de negentiende eeuw, met grauwe stenen muren, spitse torens en tralies voor de ramen van de onderste verdiepingen.

Toen we keken, zagen we een zilveren ambulance het terrein oprijden.

"Dat is de transportwagen," zei François met een beklemmende stem. "Ze gaan haar nu al klaarmaken. We zijn te laat..."

"Nee!" roep ik. "Dat zijn we niet!"

Ik opende het portier van de Land Rover. "We gaan naar binnen. En we komen er niet uit zonder mijn dochter."