HET LAATSTE WOORD VAN VADER
News Story

HET LAATSTE WOORD VAN VADER

67 weergaven

De explosie op de Vinkeveense Plassen blies de ramen van het houten huisje aan diggelen. Scherven van glas en stukken hout vlogen door de ruimte. De felle oranje gloed van een brandende speedboot weerkaatste op de mistige waterspiegel buiten. Het lawaai van de helikopter boven ons mengde zich met het loeien van de sirenes die over de polderweg naderbij kwamen.

Henk dook naar voren en trok mij tegen de grond, zijn zware armen beschermend over mijn hoofd geklemd. Pas toen de neerslag van het puin ophield, keek hij op. Zijn gezicht was bedekt met roet en bloeduitstortingen van het gevecht in vaders studeerkamer, maar zijn ogen straalden een onverwoestbare broederliefde uit.

"Gaat het, Wout?" vroeg hij, terwijl hij me overeind hielp.

"Ik... ik leef nog," stotterde ik, terwijl ik naar de rokende resten van de steiger keek. "Els en die man... zijn ze...?"

Een van de politie-officieren, gehuld in een kogelvrij vest, kwam naar de rand van het gesloopte terras gelopen. Hij keek over het zwarte water, waar slechts enkele brandende brokstukken van de boot bovendreven. "Niemand had die klap kunnen overleven," zei de agent strak. "Het brandstofreservoir is direct geexplodeerd."

Ik starde naar het brandende water. De man met de littekens — de man die zojuist had beweerd dat hij mijn echte biologische vader was — was voor mijn ogen verdwenen in een vurige inferno. En Els, de vrouw die beweerde mijn zus te zijn, lag onder de zwarte spiegel van het meer. Een golf van verwarring en vervreemding spoelde over me heen. Wie was ik nu eigenlijk? Een kind van een spion? Een diefstal van vaders trouw?

Henk legde een hand op mijn schouder. "Kom, Wout. We moeten hier weg. De politie wil een verklaring van ons, maar er zijn dingen die we eerst zelf moeten uitzoeken."

"Hoe ben je hier gekomen, Henk?" vroeg ik, terwijl we door de politiemensen naar een van de auto's werden geleid. "Die man met de motorhelm..."

Henk liet een grimmige glimlach zien. "Die knul dacht dat hij slim was. Maar vader heeft mij toen ik jong was geleerd hoe je jezelf uit een klem moet bevrijden. Ik heb hem buiten westen geslagen met de deksel van de stortbak in de wc. Toen heb ik zijn telefoon gepakt. Er stond een GPS-locatie op ingesteld: dit huisje. Ik heb de politie gebeld en ben direct hierheen gereden."

We werden overgebracht naar het hoofdbureau van politie in Utrecht. Zes uur lang werden we ondervraagd door rechercheurs van de Nationale Recherche. Ze wilden alles weten over vaders verleden, de geheime kluis en de aanslag. Maar Henk en ik hielden ons aan een afspraak die we in de auto hadden gemaakt: we zeiden zo min mogelijk over het cassettebandje en de spionagepraktijken uit 1964.

Toen we in de vroege ochtenduren eindelijk het politiebureau mochten verlaten, scheen een flauw ochtendzonnetje over de straten van de stad. We waren gesloopt, fysiek en mentaal. We liepen naar een klein café tegenover het station voor een kop zwarte koffie.

"Wout," zei Henk, terwijl hij in zijn kopje roerde. "Er is iets wat ik je niet heb verteld toen we bij het graf stonden."

Ik keek hem strak aan. "Nog meer geheimen, Henk?"

Henk haalde een oud, vergeeld notitieboekje uit zijn binnenzak. Het lederen omslag was versleten aan de hoeken. "Toen vader op zijn sterfbed lag, vlak voordat hij zijn laatste adem uitblies, stopte hij dit in mijn hand. Hij zei dat ik het pas aan jou mocht geven als het cassettebandje vernietigd zou zijn."

Mijn hart sloeg een slag over. "Vader wist dat het bandje vernietigd zou worden?"

"Vader was ons altijd drie stappen voor," zei Henk zacht. "Hij wist dat zijn oude vijanden het bandje zouden proberen te stelen. Het bandje was een afleidingsmanoeuver. Een booby trap."

Ik greep het notitieboekje en sloeg het open. Vaders strakke, ouderwetse handschrift vulde de pagina's. Op de eerste pagina stond een datum geschreven: 14 november 1964. Daaronder stond een adres in Duitsland: Karl-Marx-Allee 104, Oost-Berlijn.

En daaronder een korte tekst:

‘Wout, mijn zoon. Wie bloed heeft, geeft het door. Wie liefde heeft, beschermt het. De waarheid over je geboorte ligt niet in de grond van Utrecht, maar in het archief van de Stasi in Berlijn. Zoek naar Dossier 408-B. Alleen daar zul je ontdekken wie de echte leugenaar was.’

Mijn vingers trilden over het papier. "Dossier 408-B..." fluisterde ik.

"Vader heeft een bankrekening achtergelaten met genoeg geld voor een reis," zei Henk, terwijl hij een sleutel en twee treintickets naar Berlijn op tafel legde. "De trein vertrekt over twee uur vanaf Utrecht Centraal. Ik ga met je mee, Wout. We maken dit samen af."

Ik keek naar mijn broer. Of hij nu biologisch mijn broer was of niet, hij was de enige persoon op deze wereld die ik nog kon vertrouwen.

We wandelden naar het perron. De trein naar Berlijn stond al klaar. De deuren gleden open en we stapten in. Terwijl de trein langzaam het station uitreed en het Nederlandse landschap aan ons voorbijtrok, keek ik uit het raam.

Wat ik echter niet zag, was de gedaante die op het perron achterbleef. Een vrouw met een zwarte jas en een donkere sjaal die half over haar gezicht viel. Haar kleren waren nog vochtig van het polderwater.

Ze haalde een mobiele telefoon uit haar zak en toetste een buitenlands nummer in.

"Ze zijn onderweg naar Berlijn," zei Els met een ijskoude stem. "Zorg dat het archief gereed is."