Het licht van de opkomende zon sneed door de kieren van de houten jaloezieën. Ik opende langzaam mijn ogen. De geur van antiseptisch middel en verbrand garen vulde mijn neus. Ik lag op een smal bed in een sober ingerichte kamer. Mijn bovenlijf was ontbloot en een strak, wit verband was strak om mijn ribben gewikkeld.
Naast het bed zat Henk. Hij sliep, zijn hoofd rustend op de rand van de matras, zijn hand nog steeds dicht bij de mijne. Hij zag er stokoud uit in het ochtendlicht; de diepe rimpels om zijn ogen en de grijze haren bij zijn slapen getuigden van de toll die deze dagen van ons hadden geëist.
Ik bewoog voorzichtig. Een scherpe, maar dragelijke pijn scheet door mijn zij.
Henk schrok meteen wakker. Hij keek op en toen hij zag dat ik naar hem keek, ging er een vlaag van intense verlichting over zijn gezicht.
"Je bent wakker," fluisterde hij, met een schorre stem. "Godzijdank... je bent wakker."
"Waar zijn we?" vroeg ik, mijn keel droog als zand paper.
"In een prive-kliniek van een gepensioneerde arts die vroeger met de BVD samenwerkte," antwoordde Henk, terwijl hij een glas water voor me insschonk. "Hij heeft de kogel uit je zij gehaald. Het heeft je rib geraspt, maar geen vitale organen geraakt. Je hebt geluk gehad, Wout."
Ik dronk het water in eager slokken op. "Hoe lang ben ik weggeweest?"
"Bijna vierentwintig uur," zei Henk. Hij stond op en liep naar het raam. Hij keek naar buiten, waar de stad Berlijn langzaam ontwaakte onder een dunne laag verse sneeuw. "In die tijd is er veel gebeurd."
"En de microfilm?"
Henk draaide zich om. Hij haalde een laptop uit zijn tas en zette hem op het nachtkastje naast mijn bed. "Weber heeft het glaasje gescand met hoge-resolutie-apparatuur. De documenten op de film zijn volledig hersteld."
Hij klapte het scherm open. Op het scherm stonden tientallen gescande pagina's met officiële stempels, handtekeningen en Duitse teksten uit 1964.
"Wat staat erin, Henk?" vroeg ik zacht.
Henk ging weer op de stoel zitten en keek me strak aan. De blik in zijn ogen was anders dan voorheen. Geen angst meer, geen verwarring. Alleen een diepe, berusting.
"De waarheid over ons, Wout," zei hij. "De echte waarheid."
Hij wees naar een pagina met de titel Operatie Bloedband.
"Vader — Gerrit de Jong — was in 1964 niet alleen een BVD-agent," legde Henk uit. "Hij was de leider van de westerse sectie in Berlijn. Viktor Vance, de spion, was zijn dubbelagent. Maar Vance raakte corrupt. Hij wilde de geldreserves van 'Die Spinne' voor zichzelf houden en dreigde de identiteit van alle Nederlandse agenten in Oost-Europa te onthullen aan de Stasi."
"En de baby?" vroeg ik, mijn hart sneller kloppend.
Henk haalde diep adem. "Vance had twee kinderen. Een tweeling, geboren in Berlijn in november 1964. Een jongen en een meisje. Vance wilde de baby-jongen gebruiken om de grens over te vluchten, wetende dat de westerse wachten niet snel op een man met een zuigeling zouden schieten."
Ik verstijfde. "Een tweeling?"
"Ja," zei Henk zacht. "De jongen... dat was jij, Wout. En het meisje... het meisje werd meegenomen door de moeder, Magda Vance. Dat meisje was Els."
De kamer bleek ineens ijskoud. Els was mijn tweelingzus. De vrouw die mij had opgejaagd, die mij wilde laten doodschieten, die mijn broer had opgesloten... was mijn echte biologische tweelingzus.
"En jij, Henk?" vroeg ik met trillende stem. "Wie ben jij dan?"
Henk glimlachte zwak. Een warme, liefdevolle glimlach. "Ik ben de biologische zoon van Gerrit de Jong en zijn vrouw Maria. Ik ben de echte zoon. Vader heeft mij opgevoed in Nederland. En toen hij jou in 1964 redden uit de handen van Vance na de schietpartij op de grens, nam hij je mee naar huis. Moeder was kort daarvoor bevallen van een doodgeboren kindje. Vader heeft jou in de wieg gelegd van dat gestorven kindje om je een veilige identiteit te geven."
De tranen rolden onophoudelijk over mijn wangen. De complexiteit van vaders liefde overspoelde me. Hij had zijn eigen verdriet over zijn overleden baby omgezette in het redden van het kind van zijn vijand. Hij had mij opgetild uit de hel van de Koude Oorlog en mij een thuis gegeven, een broer gegeven, een leven gegeven.
"Vader hield van jou, Wout," zei Henk, en hij pakte mijn hand stevig vast. "Net zo veel als van mij. Misschien wel meer, omdat hij wiste welk gevaar er altijd boven jouw hoofd hing. Hij heeft vijftig jaar lang gezwegen om te zorgen dat jij je nooit een vreemdeling zou voelen in ons gezin."
"En Els?" vroeg ik, mijn stem brekend. "Waarom is zij zo geworden?"
"Els is opgevoed door Magda Vance," legde Henk uit. "In de haat van de Stasi. Ze werd getraind om te geloven dat onze vader haar familie had verwoest en haar broer had gestolen. Ze wil niet alleen het geld van Die Spinne, ze wil wraak op alles wat Gerrit de Jong heeft achtergelaten. En dat zijn wij."
Op dat moment ging de deur van de ziekenhuiskamer open. Doctor Weber kwam gehaast binnenstappen. Zijn gezicht was doodsbleek.
"Ze hebben ons gevonden," zei Weber ademloos. "Els heeft het signaal van de laptop onderschept toen we de microfilm uploadden. Er staan drie zwarte SUV's voor de poort van de kliniek."
Henk stond meteen overeind. Hij greep zijn Walther PPK van de tafel en keek naar mij.
"We kunnen niet meer rennen, Wout," zei Henk strak. "Je bent te zwak om te vluchten."
"Dan eindigt het hier," zei ik, terwijl ik de deken van me af sloeg en mijn voeten op de koude vloer zette, negerend de vlijmscherpe pijn in mijn zij. "Geef mij het andere pistool, Henk. Het is tijd dat we vaders werk afmaken."






