De lentezon scheen over het oude ouderlijk huis aan de rand van Utrecht. De sporen van de inbraak en de gewelddadige confrontatie waren inmiddels uitgewist. Waar het kozijn van de voordeur ooit was verbrijzeld, hing nu een nieuw, stevig eikenhouten exemplaar. De studeerkamer op de bovenste verdieping was onherkenbaar veranderd. De zware, donkere gordijnen waren vervangen door lichte, linnen exemplaren die zachtjes heen en weer wiegden in de lentewind.
Henk en ik stonden midden in de ruimte. De kamer die vijftig jaar lang doordrenkt was geweest met geheimen, angst en afgezonderde telefoontjes, rook nu naar verse verf, schuurpapier en boenwas. vaders oude eikenhouten bureau stond nog op dezelfde plek, maar het was afgeboend en in de was gezet tot het goudbruin glom in het zonlicht.
Op het bureau lag geen cassetterecorder meer. Er lag slechts een eenvoudig lederen album met oude foto's die we tijdens de opruiming op zolder hadden gevonden.
"Kijk hier eens, Wout," zei Henk, terwijl hij een vergeelde foto uit het album tilde.
Ik liep naar hem toe. Op de foto stond vader, veel jonger nog, zittend op een houten bankje in een tuin. Op zijn schoot zaten twee kleine kinderen: een peuter met donker haar die wild naar de camera zwaaide — Henk — en een kleine baby met licht haar en sproeten op zijn neus die veilig in de plooien van vaders jas lag geslapen — ik.
Achterop de foto stond in vaders handschrift geschreven: Zomer 1966. Mijn twee jongens. Mijn hele wereld.
Ik streek met mijn duim over de rand van de foto. "Hij heeft nooit twijfel laten bestaan, hè Henk?"
"Nooit," zei Henk beslist. "Hij heeft ons opgekweekt met dezelfde harde hand, maar ook met dezelfde onvoorwaardelijke bescherming. We waren zijn wereld, Wout. Niet zijn missies, niet de geheime dienst, niet de geopolitiek. Wij."
Er klonk kindergejouw van beneden. De voordeur ging open en het geluid van rennende voetstappen op de trap vulde het huis. Mijn dochter Lisa en Henks zoon Mark kwamen lachend de studeerkamer binnenstormen, gevolgd door onze echtgenotes die schalen met verse koffie en taart dragen.
"Opa's geheimzinnige kamer is niet meer geheimzinnig!" riep de kleine Mark, terwijl hij naar het grote raam rende en naar buiten keek naar de grote tuin waar vader vroeger zijn rozen struiken verzorgde.
"Nee, jongen," zei Henk, terwijl hij zijn hand op de bol van zijn zoontje legde. "Deze kamer is nu van jullie. Om te spelen, om te lezen, en om te weten dat er hier nooit meer deuren op slot gaan."
We gingen rond het oude bureau zitten met ons gezin. Het huis dat zo lang als een kille vesting had gevoeld, was weer vervuld van leven, warmte en het geluid van lachende mensen. De schaduwen uit 1964 waren definitief verdreven door het licht van een nieuwe generatie.
Toen het middag werd en de gasten naar de tuin gingen om van de zon te genieten, bleef ik nog even alleen achter in de kamer. Ik liep naar het raam en keek uit over de weilanden in de verte.
Mijn telefoon trilde in mijn zak. Een tekstbericht van Doctor Weber uit Berlijn:
‘Beste Wout. De dossiers zijn definitief gesloten door de BVD en de Bundesnachrichtendienst. Het geld van Die Spinne is overgedragen aan een internationaal fonds voor de slachtoffers van de Koude Oorlog. Uw vader is officieel bijgeschreven in het Gedenkboek van de Geheime Diensten als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De rust is wedergekeerd.’
Ik stak mijn telefoon terug in mijn zak en haalde vaders zakhorloge tevoorschijn. Ik sloeg het klepje open en keek naar de wijzers die rustig en regelmatig doortikten.
De tijd stond niet langer stil in 1964. De klok tikte voor de toekomst.
Ik hoorde Henk onder aan de trap roepen: "Wout! Kom je? De koffie wordt koud!"
"Ik kom eraan, broer," zei ik zacht.
Ik wierp nog een laatste blik op de kamer, draaide de sleutel van de deur om — niet om hem op slot te doen, maar om hem voor altijd wijd open te laten staan — en liep de trap af naar het leven dat vader voor ons had gewonnen.
Het laatste woord van vader was niet gesproken op een krakend cassettebandje, noch geschreven in bloed op een oud briefje.
Zijn laatste woord was de liefde die hij in ons had achtergelaten. En die liefde zou nooit vergaan.
-- EINDE --






