Ik verstijfde aan de keukentafel. Mijn vingers klemden zich zo vast om de rand van het houten blad dat mijn nagels wit uitsloegen. De man met de rode littekens zette een langzame stap naar voren. Het houten vloerdeel onder zijn zware laars kreunde onder zijn gewicht. Zijn gezicht was een ravijn van beschadigd weefsel; grote, rood-paarse littekens doorkruisten zijn linkerwank en trokken zijn lippen in een permanente, grimmige grijns.
"Wie bent u?" stotterde ik, terwijl ik probeerde Els achter me te schuiven.
De man lachte, een droog geluid dat klonk als het schuren van droge bladeren over asfalt. "Mijn naam doet er niet meer toe, jongen. Maar vijftig jaar geleden noemde je vader mij zijn vriend. Totdat hij mij verraadde en mij liet cremeren in een brandende auto in Oost-Berlijn. Ik heb het overleefd, zoals je ziet. Maar het heeft me mijn gezicht gekost... en mijn leven."
"U... u bent de man voor wie vader mij wilde beschermen," fluisterde ik. De stukjes van de puzzel begonnen op hun plek te vallen, maar het beeld dat ontstond was gruwelijker dan ik ooit had durven dromen.
"Beschermen?" De man spitste zijn ogen. "Hij heeft je gestolen! Je bent niet de zoon van een willekeurige spion, Wout. Je bent míjn zoon. Je bent de zoon van de man die hij naar de honden heeft gegooid om zijn eigen hachje te redden bij de geheime dienst!"
De woorden sloegen in als een blikseminslag. Mijn hele lichaam begon te shaken. Ik keek naar de man. Zijn helblauwe ogen... dezelfde kleur ogen als die van Els. Ik keek van de man naar Els, die met haar rug tegen de houten wand gedrukt stond, haar ademhaling versneld en paniekerig.
"Els?" vroeg ik met een bevend stemgeluid. "Wat is dit?"
Els keek niet naar mij. Ze keek strak naar de man met de littekens. En toen gebeurde er iets wat mijn verstand volledig te boven ging. De angstige blik op haar gezicht verdween. Haar gezichtsuitdrukking veranderde in een koude, berekenende kalmte. Ze deed een stap opzij, weg van mij, en ging naast de man met de littekens staan.
"Het spijt me, Wout," zei Els met een stem die geen enkele emotie meer vertoonde. "Maar het was de enige manier om het cassettebandje te pakken te krijgen. Vader heeft de code van de kluis op de tape ingesproken. We hadden jou nodig om de tape te vinden, want vader had de kluis op jouw naam gezet."
Mijn maag draaide om. De vrouw die zich bij het graf aan mij had gepresenteerd als mijn zorgzame zus, de vrouw die zei dat vader haar vijftig jaar lang had gebeld... het was een valstrik geweest. Een doortrapte, dramatische opvoering om mij te manipuleren.
"Jij... jij bent geen zus van mij," fluisterde ik.
"O, ze is wel je zus," onderbrak de man met de littekens koud. "Ze is mijn dochter. Mijn echte dochter. En jij bent mijn zoon. Je vader — de man die je vandaag hebt begraven — was niets meer dan een dief die mijn gezin heeft verwoest en mijn rijkdom heeft gestolen. De rijkdom die in de kluis onder dit huisje ligt."
"Onder dit huisje?" herhaalde ik suf.
De man stak zijn hand uit en wees naar de hoek van de kamer, waar een oud houten luik onder het tapijt verscholen lag. "Je vader was slim. Hij bouwde dit hutje niet voor vakanties. Hij bouwde het bovenop het depot waar de geheime documenten en de buit van onze operatie in 1964 zijn opgeslagen. En alleen de DNA-sleutel en de gesproken code van de rechtmatige erfgenaam kunnen de kluis openen."
Hij stapte naar de cassetterecorder op de tafel en drukte op pauze. Hij pakte het apparaat op en keek mij strak aan. "Het bandje is bijna afgelopen. De code komt nu. Maar ik heb jouw stem nodig om het kluissysteem te ontgrendelen. Dus je gaat nu heel braaf meewerken, Wout. Anders zie je je broer Henk nooit meer terug."
Mijn adem stokte bij het horen van Henks naam. "Henk? Leeft hij nog?"
"Hij leeft," zei Els ijskoud. "Voorlopig. Hij zit opgesloten in de kelder van vaders huis. Mijn man — de man met de motorhelm die jullie achtervolgde — houdt hem onder schot. Eén telefoontje van mij, en Henk overleeft de nacht niet."
Ik stond klem. Mijn verstand schreeuwde dat ik moest vechten, maar mijn hart kon het risico niet nemen dat Henk vermoord zou worden. Mijn broer... de man die me altijd had beschermd, zelfs als we geen biologisch bloed deelden. Hij had zijn leven gewaagd in de studeerkamer om mij te laten ontsnappen.
"Wat moet ik doen?" vroeg ik met een doffe stem.
De man met de littekens knikte tevreden. Hij trok het kleed in de hoek van de kamer weg, waardoor een zwaar, stalen luik zichtbaar werd met een digitaal schermpje en een oude geluidsscanner. Hij duwde mij naar voren. "Luister naar de rest van de tape. Zeg de woorden na die je vader spreekt. En open de kluis."
Hij drukte op PLAY. Vaders stem vulde opnieuw de kleine, muffe ruimte:
‘Wout, als je dit hoort, ben je op de plek waar alles begon. De code om de kluis te openen is de zin die ik je elke avond voor het slapengaan vertelde. Maar pas op... de kluis bevat niet wat zij denken dat erin zit. Het bevat een mechanisme dat...’
De stem werd plotseling vervormd door een luid magnetisch gekraak. De cassetterecorder begon een vreemd, hoog geluid te maken. Het plastic van het apparaat werd in razend tempo gloeiend heet.
"Wat gebeurt er?!" schreeuwde de man met de littekens, terwijl hij een stap achteruit deed.
"Het is een zelfvernietigingsmechanisme!" riep ik, terwijl ik begreep wat vader had gedaan.
In een fractie van een seconde ontplofte het kleine cassettebandje in een felle steekvlam van gesmolten plastic en magnetische tape. De kamer werd gehuld in een bijtende, zwarte rook. Het spraakgeheugen was voorgoed vernietigd.
Els slaakte een gedingde kreet van woede. "Nee! De code is weg!"
De man met de littekens keek mij met een blik van pure waanzin aan. Hij hief het mes boven zijn hoofd. "Dan heb ik jou niet meer levend nodig!"
Maar net op het moment dat hij naar voren wilde springen, klonk er buiten een luid helikoptergeluid dat de ruiten van het houten huisje deed daveren. Felle, witte zoeklichten sneden door de ramen en verlichtten de rook in de kamer.
Een zware stem schalde door een megagoon van buiten:
"Politie! Het pand is omsingeld! Leg uw wapens neer en kom met de handen omhoog naar buiten!"
De man met de littekens keek op naar het plafond, zijn ogen wijd opengesperd van ongeloof. Els greep hem bij zijn arm. "We moeten weg! De vluchtboot ligt aan de steiger!"
Zij rennen naar de achterdeur die leidde naar het water van de Vinkeveense Plassen. Ik bleef alleen achter in de rokende kamer, naar adem happend op de keukenvloer.
Toen de voordeur werd ingetrapt door zwaar bewapende politiemensen, zag ik een gedaante achter hen aan lopen. Een man met een gezwollen gezicht, een bloedend verband om zijn hoofd, maar met ogen die ik uit duizenden zou herkennen.
Henk.
Hij leefde. Hij stapte de kamer binnen, keek naar mij en zei met een hese stem: "Ik zei toch dat je dat bandje niet moest afspelen, broer..."
Maar voordat ik Henk kon omhelzen, klonk er vanaf het water buiten een oorverdovende explosie die het hele huisje op zijn grondvesten deed schudden.






