HET LAATSTE WOORD VAN VADER
News Story

HET LAATSTE WOORD VAN VADER

66 weergaven

Mijn hart klopte in mijn keel. Het geluid van mijn eigen snelle ademhaling leek de ruimte te vullen, overstemd door het mechanische tikken van de wandklok die roerloos aan de muur hing. De gewapende man zette een stap naar voren. Het zwart van zijn vizier weerkaatste het kille licht dat door de glas-in-loodramen naar binnen viel. Hij stak zijn linkerhand uit, gehuld in een dikke lederen handschoen. De loop van het pistool bleef onbeweeglijk gericht op de cassetterecorder op vaders eikenhouten bureau.

"Snel," grauwde de man opnieuw. Zijn stem klonk blikkerig door de valhelm. "Druk op stop en geef het me. Nu."

Ik verstijfde op mijn stoel. Mijn hand hing boven de knoppen van het apparaat. Op de achtergrond ruisde de tape nog steeds zachtjes, een monotoon geluid dat zwanger was van onthullingen die mijn gehele existentie konden veranderen. Vader had zojuist gesproken over de nacht van 14 november 1964. Hij had gesproken over een baby op de drempel en een briefje geschreven in bloed. Het verlangen om de knop te negeren en de stem op de tape verder te laten spreken, was immens zwaar. Maar de dreiging van de loop die op mijn borstkas gericht stond, was dodelijker.

Henk zette een langzame, voorzichtige stap opzij. De zware koperen kandelaar omklemd in zijn gespannen vuist. Zijn knokkels kleurden spierwit. Ik zag de zweetdruppels langs zijn slapen naar beneden glijden. Ondanks zijn stugge, krachtige lichaamsbouw zag ik de angst in zijn ogen. Henk was altijd de beschermer geweest, de oudere broer die mij op het schoolplein verdedigde. Maar tegen een geladen vuurwapen leek al zijn fysieke kracht te smelten als sneeuw voor de zon.

Els zat ineengedoken achter de stoel bij de boekenlast. Haar gezicht was lijkbleek, haar ademhaling stokte bij elke beweging die de indringer maakte. "Wie bent u?" fluisterde ze, met een stem die nauwelijks hoorbaar was. "Wat wilt u van onze vader?"

"Je vader had dingen die hij niet had mogen bewaren," antwoordde de man koud. Hij wendde zijn blik geen seconde af van de speler. "Het cassettebandje. Eruit. Nu!"

Een splitsecond leek de tijd stil te staan. Henk keek mij recht in de ogen aan. Er lag een zwijgende communicatie tussen ons, opgebouwd uit meer dan zes decennia van samen broers zijn. In zijn ogen las ik een plotselinge, wanhopige vastberadenheid. Voordat ik kon roepen dat hij zich stil moest houden, maakte Henk een wilde beweging. Hij haalde uit met de zware koperen kandelaar en sloeg met volle kracht naar de arm van de gewapende man.

Er klonk een doffe klap toen het zware metaal de onderarm van de indringer raakte. Het pistool kletterde uit zijn hand en vloog over de houten vloerbedekking recht onder vaders zware eikenhouten bureau.

"Klootzak!" schreeuwde de man.

Hij reageerde met een razendsnelle draai. Met zijn elleboog raakte hij Henk vol in het gezicht. Henk struikelde achterover, klapte met zijn rug tegen de boekenboog en viel kermend op de grond. De indringer dook meteen naar voren, richting de tafel en het pistool.

"Wout, pak het bandje!" schreeuwde Els vanachter de stoel.

Mijn reflexen namen het over van mijn verlammende angst. Ik duwde met volle kracht op de eject-knop van de speler. Het plastic klepje sprong open. Met trillende vingers griste ik het warme cassettebandje uit het apparaat en stopte het diep in de binnenzak van mijn jas. De man had het pistool onder het bureau vandaan gegraaid en draaide zich om, zijn gezicht weer naar mij toe gekeerd.

"Geef het hier!" briesde hij, en hij richtte de loop opnieuw, ditmaal recht op mijn voorhoofd.

"Rennen, Wout! Weg hier!" brulde Henk vanaf de vloer, terwijl hij de benen van de indringer vastgreep met al de kracht die hij nog in zich had. De man verloor zijn evenwicht en wankelde.

Ik aarzelde geen seconde langer. Ik greep Els bij haar bovenarm, trok haar overeind en we stormden de studeerkamer uit, de smalle, houten trap af. De treden kraakten hevig onder ons gewicht. Achter ons klonk het geluid van een violent gevecht, een luide vloek, en vervolgens het ijzingwekkende geluid van een gunshot dat door het oude huis galmde.

Een doffe knal. Daarna een schreeuw.

"Henk!" schreeuwde ik, terwijl ik halverwege de trap bleef steken. De neiging om terug te rennen was overweldigend. Maar Els trok me met verrassende kracht mee naar beneden.

"We kunnen niets voor hem doen als we dood zijn!" gilde ze. "We moeten weg!"

We stormden door de vernielde voordeur naar buiten. De koude avondlucht sloeg als een ijsdeken in mijn gezicht. Het was inmiddels schemerig geworden. De straat was verlaten, afgezien van een zwarte, draaiende motorfiets die aan de overkant van het trottoir geparkeerd stond met draaiende motor.

We rennen naar mijn auto, een oude grijze Volvo die een stuk verderop onder een lantaarnpaal stond. Mijn handen trilden zo erg dat het drie pogingen kostte om de sleutel in het slot van het portier te krijgen. Achter ons hoorden we het zware houten kozijn van vaders huis kraken. De helm drager kwam het bordes op gerend. In de schemering zag ik een donkere plek op zijn mouw, maar de loop van het pistool blonk dreigend in het straatlicht.

Ik herstartte de motor met een loeiend geluid, trapte de koppeling in en scheurde weg net op het moment dat er een tweede schot viel. De zijspiegel aan de bestuurderskant spatte in honderden kleine glasdeeltjes uit elkaar.

Ik keek in mijn binnenspiegel. Het oude ouderlijk huis werd kleiner in de verte. Er brandde slechts één lichtje op de bovenste verdieping: het raam van vaders studeerkamer. Geen spoor van Henk. Wat was er daarboven gebeurd? Was mijn broer neergeschoten? Leefde hij nog?

Els zat naast me op de passagiersstoel, hevig te rillen. Haar handen bedekten haar gezicht en ze snikte onophoudelijk. "Dit had niet mogen gebeuren," fluisterde ze door haar tranen heen. "Vader zei dat hij alles had opgeruimd. Hij zei dat de organisatie ons nooit zou vinden..."

Ik trapte extra hard op het gaspedaal, de auto schoot de snelweg op richting het zuiden. Mijn hart bonkte nog steeds als een malle in mijn borstkas. Ik voelde de contouren van het cassettebandje tegen mijn ribben drukken.

"Welke organisatie, Els?" vroeg ik strak, terwijl mijn knokkels wit wegtrokken om het stuurwiel. "En wat heeft vader gedaan in november 1964? Praat! Nu!"

Els keek op. Haar helblauwe ogen stonden vol angst. Ze haalde diep adem, alsof ze zich voorbereidde op het uitspreken van een vloek. "Vader was geen gewone man, Wout. Hij werkte vijftig jaar geleden niet bij de gemeente. Hij werkte voor een geheime tak van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. En die baby... die baby die op de drempel werd gelegd, was geen toeval. Het was de zoon van een gezochte Oost-Duitse spion."

Mijn adem stokte. De lantaarnpalen langs de snelweg wierpen ritmische schaduwen over ons heen. Henk was geboren op 14 november 1964. Was Henk de zoon van die spion? Of was ik het? En waarom probeerde iemand ons na al die jaren te vermoorden voor een oud cassettebandje?

Toen ik in de achteruitkijkspiegel keek, zag ik twee felle, ronde koplampen die snel dichterbij kwamen. Een zwarte motorfiets. Hij hield hetzelfde tempo aan. Hij volgde ons. En we reden op een desolate weg zonder enige uitweg.