De kliniek lag aan de rand van het Grunewald, een dicht bosgebied aan de westzijde van Berlijn. Het oude, bakstenen gebouw uit de jaren dertig was omringd door hoge dennenbomen die zwaar waren van de verse sneeuw. De stilte van het bos werd wreed verstoord door het doffe geluid van sluitende autodeuren buiten het terrein.
Ik stond bij het raam van de kamer, het pistool zwaar en koud in mijn hand. De wond in mijn zij klopte hevig onder het schone verband, maar de pijn was naar de achtergrond verdreven door een absolute, kille helderheid. Ik keek naar Henk, die achter de deur van de gang positie had ingenomen.
"Hoeveel zijn het er, Weber?" vroeg Henk zonder zijn ogen van de gang af te wenden.
Weber keek door de jaloezieën. "Zes mannen. Zwaar bewapend. En Els. Ze komen via de hoofdingang naar binnen."
"Geen politie?" vroeg ik.
"Els heeft de lokale autoriteiten omgekocht met de invloed van 'Die Spinne'," antwoordde Weber bitter. "We staan er alleen voor."
"Goed," zei Henk. Er lag een ijzeren vastberadenheid in zijn stem. "Dan hoeven we met niemand rekening te houden."
Er klonk een luide klap van beneden. De glazen deuren van de ontvangsthal werden ingeslagen. Zware voetstappen weergalmden door het lege gebouw, vergezeld door het mechanische geluid van doorgeladen automatische wapens.
"Wout! Henk!" schalde de stem van Els door het traphuis. Haar stem krakerig en vervormd door de akoestiek van het marmeren gebouw. "Ik weet dat jullie daarboven zijn! Geef de laptop en de originelen van de microfilm, en ik laat jullie levend dit bos uit lopen! Geef op!"
Ik keek naar Henk. Hij schudde langzaam zijn hoofd. We wisten beiden dat haar beloftes niets waard waren. Zodra ze de data had, zou ze ons executeren om alle losse eindjes definitief af te knijden.
"We moeten ze naar de kelder lokken," fluisterde ik tegen Henk. "Daar is een smalle gang die leidde naar de oude stookruimte. Hun numerieke overwicht heeft daar geen nut."
Henk knikte. "Weber, jij gaat via de brandtrap aan de achterzijde weg. Neem de laptop mee. Als wij het niet overleven, zorg je dat deze documenten naar de Nederlandse ambassade gaan."
Weber aarzelde, zijn ogen wijd van angst. "Maar jullie..."
"Ga!" grauwde Henk met een gezag dat geen tegenspraak duldde.
Weber greep de tas met de laptop en glipte door het raam naar de brandtrap.
Henk en ik trokken ons langzaam terug naar het traphuis dat naar de kelder leidde. We lieten de deur van de kamer op een kier staan om de indringers te laten denken dat we daar nog verschanst zaten.
De eerste twee mannen kwamen de gang op gelopen, hun getrokken tactische geweren gericht op onze oude kamer. Ze bewogen synchroon, professionele huurlingen. Pas toen ze de drempel van de kamer overstapten, sloeg Henk toe.
Vanaf het keldertrapje vuurde hij drie snelle schoten af. De eerste man viel direct neer, de tweede struikelde achterover met een schreeuw en zakte in elkaar tegen de muur.
"Kelder!" schreeuwde een van de overgebleven mannen.
Automatisch vuur spuwde door de gang. Kogels sloegen grote gaten in de gipsplaten van het traphuis. Stof en kalk vulden de lucht, waardoor het zicht vrijwel nul werd. Henk en ik doken de keldertrap af, de stenen treden koud onder onze schoenen.
We rennen door de smalle, duistere gang van de kelder. De buizen van de verwarming sissend langs het plafond. We bereikten de oude stookruimte, een grote zaal gevuld met reusachtige, roestige stoomketels en een wirwar van buizen.
We verscholen ons achter de grootste ketel in het midden van de ruimte. Mijn ademhaling was zwaar, de wond in mijn zij begon opnieuw te bloeden; ik voelde de warme vloeistof door het verband sijpelen.
"Wout, blijf dekking houden," fluisterde Henk, terwijl hij de munitie in zijn magazijn telde. "Ik heb nog vier kogels."
"Ik ook vier," antwoordde ik.
De zware stalen deur van de stookruimte werd langzaam opengeduwd. De schaduwen van drie mannen en een vrouw vielen over de betonnen vloer.
Els stapte als eerste naar binnen. In haar hand hield ze niet langer een klein pistool, maar een zwaar tactisch wapen. Haar gezicht was strak, haar ogen glitterden met een waanzinnige intensiteit.
"Broertje..." zei Els, terwijl ze haar stem liet galmen tussen de stalen ketels. "Kom tevoorschijn. Waarom vecht je voor de zoon van de man die onze biologische vader heeft vermoord? Wij delen hetzelfde bloed, Wout! Wij zijn de Vance-tweeling! Samen kunnen we het vermogen van Die Spinne opeisen!"
Ik keek achter de ketel vandaan. "Bloed maakt je geen familie, Els!" riep ik terug. "Gerrit de Jong was mijn vader! Hij heeft me liefde gegeven, geen haat!"
"Liefde?!" schreeuwde Els woedend. "Hij heeft je een leugen gegeven! Hij heeft je hele leven tot een sprookje gemaakt om zijn eigen schuldgevoel af te kopen!"
"Hij heeft me gered van een monster!" schreeuwde ik terug.
Els gaf een teken aan haar mannen. Ze begonnen zich te verspreiden, waaiend om de stoomketel heen om ons van twee kanten in te sluiten.
Henk keek me aan. Hij knikte. Dit was het moment.
Henk sprong achter de ketel vandaan naar links en vuurde twee schoten af op de dichtstbijzijnde man. De man klapte dubbel en viel op de vloer. Maar de tweede huurling reageerde bliksemsnel en richtte zijn wapen op Henk.
"Henk!" schreeuwde ik.
Ik kwam overeind, negerend de verlammende pijn in mijn ribben, en vuurde drie schoten achter elkaar af op de tweede huurling. De kogels troffen hem in zijn borstkas. Hij viel achterover tegen een stoombuis.
Maar in mijn gevecht om Henk te beschermen, was ik mijn eigen dekking kwijtgeraakt.
Toen ik me omdraaide, keek ik recht in de loop van het wapen van Els.
Ze stond op drie meter afstand van me. Haar vinger rustte op de trekker. Er lag geen enkele twijfel meer in haar ogen, geen spoortje van zusterlijke band. Alleen de kille wraakzucht die haar hele leven had gevormd.
"Vaarwel, broertje," fluisterde ze.
Er klonk een schot.






