Het licht van mijn telefoon scheen over vochtige stenen muren en een smalle, stenen gang die dieper het fundament van het pand in leek te kronkelen. Dit was geen gewone kelder; dit voelde aan als een eeuwenoude catacombe, gebouwd ver voordat de negentiende-eeuwse huizen omhoog werden getrokken. De muren waren bedekt met een dikke laag aanslag en op de grond lagen plassen water waarin vreemde, rimpelloze reflecties dansten.
Terwijl ik struikelend voortstapte, hoorde ik boven me gedempt getik en het geluid van verschuivend meubilair. Arthur was duidelijk bezig om de boel van bovenaf af te sluiten of te blokkeren. Maar hij wist blijkbaar dat er beneden meer was. Uit de diepte van de gang klonk immers een geluid dat me deed stilstaan: een zacht, melodieus geneurie, lijkend op een wiegeliedje dat door een vrouw werd gezongen.
Het geluid was ijzingwekkend helder in de vochtige stilte. Ik durfde bijna niet te ademen. "Hallo?" riep ik met een schichtige, bibberige stem, maar mijn woorden werden onmiddellijk opgeslokt door de dikke muren.
Ik liep verder, geleid door een zwak, blauwachtig schijnsel dat verderop in de gang leek te gloren. Na enkele bochten te hebben genomen, kwam ik uit in een grotere, cirkelvormige ruimte. In het midden van de kamer stond iets wat daar absoluut niet hoorde te zijn: een antieke, staande spiegel met een massief, zilveren frame waarin duizenden kleine, ingewikkelde patronen waren gegraveerd. En het vreemde was... de spiegel weerspiegelde niet de stenen muren van de kelder, maar een compleet andere kamer.






