De paniek sloeg als een ijskoude golf over me heen. Als Arthur merkte dat ik de kast had opengebroken, zou hij me niet alleen op straat zetten; de blik in zijn ogen de dag ervoor beloofde veel ergers. Snel duwde ik de kastdeur op een kier na, liet de brief in de zak van mijn vest glijden en rende op mijn tippen naar de salon. Nog voordat ik de deur van de woonkamer kon sluiten, hoorde ik de sleutel in het slot van de voordeur draaien.
Arthur kwam binnen. Ik hield mijn adem in, ineengekrompen op de bank, starend naar de kier van de deur. Ik hoorde hem de gang doorlopen. Zijn voetstappen stopten abrupt voor de kast.
Er volgde een tergende stilte. Ik kon me voorstellen hoe zijn ijzigblauwe ogen over het geforceerde slot gleden, hoe zijn kaken op elkaar klemden van pure woede. Toen klonk er een dof, woedend gebrom door het appartement. Hij had het ontdekt.
"Wie denk je wel dat je bent?" riep Arthur ineens met een schor, donker geluid dat door de muren weerklonk. Het was alsof hij niet tegen mij praatte, maar tegen de leegte zelf. "Je brengt het alleen maar terug! Denk je dat je kunt winnen van wat hier al dertig jaar begraven ligt?"
De deur van de woonkamer vloog met een klap open. Arthur stond in de deuropening, zijn gezicht vertrokken van een diepe, bijna ziekelijke woede. Zijn handen trilden lichtjes. Hij hield een oud, roestig slagersmes vast dat hij blijkbaar ergens in de gang had opgediept.
"Je gaat nu spullen pakken en wegwezen," siste hij, terwijl hij een stap naar voren deed. "Of je zult net zo verdwijnen als de rest."






