Deel 7: Het Gevecht in het Ravijn
De ijzigheid in de ogen van Dean snijdt dieper dan de snijdende ochtendwind die door de kapotte houten deur waaide. Het jachtgeweer in zijn handen was strak op Daan gericht, wiens tanden op elkaar geklemd stonden. Daan deed een stap voor mij, zijn houten speer weer opgeheven, hoe nutteloos dat wapen ook leek tegenover een geladen geweer.
'Zet die speer neer, jongen,' grauwde Dean, terwijl hij de haan van het geweer naar achteren trok met een luide, droge klik. 'Je bent zes jaar geleden hade moeten sterven in die kelder. Je hebt mijn leven een hel gemaakt door te verdwijnen! Wist je dat? Zes jaar lang moest ik achter mijn rug omkijken, bang dat een van jullie uit deze bossen zou komen wandelen!'
'Je bent een monster, Dean!' schreeuwde ik, terstond stappend tussen de loop van het geweer en mijn zoon. 'Schiet dan! Schiet op mij! Maar laat mijn kinderen met rust!'
'Mam, nee!' riep Sophie van achteren.
Dean lachte, een duister, schor geluid dat doordrong tot in mijn ziel. 'Denk je dat ik dat erg zou vinden, Eleanor? Ik heb Daniel doodgeschoten toen hij me aanviel in die zagerij. Ik heb zijn lichaam in de diepe schacht gegooid waar het beton over heen is gegoten. Eén meer of minder maakt mij nu niets meer uit. Als de politie hier dadelijk aankomt, vertel ik ze dat jij Daan en Sophie wilde doodschieten en dat ik jou moest neerschieten om hen te redden. Ze geloven mij. Ze geloven mij al zes jaar!'
Op dat precieze moment veranderde er iets in de ogen van Daan. Zes jaar overleven in de rauwe wildernis had hem niet alleen veranderd in een magere jongen; het had hem de reflexen van een roofdier gegeven.
Zonder een spoor van waarschuwing dook Daan niet naar achteren, maar dook hij plat op de grond naar voren, recht naar de benen van Dean.
BOEM!
Het schot van het jachtgeweer knalde door de kleine hut. De kogel vloog over Daans hoofd heen en sloeg met een enorme kracht door het houten dak, waardoor het puin en het mos naar beneden regenden.
Dean verloor zijn evenwicht door de onverwachte tackle van Daan. Hij struikelde achterover, het houten bordesje van de hut af, en de twee mannen rolden over de steile, natte helling van het ravijn naar beneden.
'Daan!' schreeuwde ik.
'Sophie, blijf hier!' riep ik tegen mijn dochter, en ik rende de hut uit, het ravijn in, glijdend over de natte bladeren en de modder.
Onderaan de helling, vlak bij de wildstromende rivier, vochten Daan en Dean op leven en dood. Dean was veel zwaarder en sterker, maar Daan was wendbaar en gedreven door een zes jaar opgekropte haat. Dean sloeg Daan met zijn vuist vol op de kaak, waardoor Daan achterover in het ijskoude water van de rivier viel.
Dean krabbelde overeind en greep het jachtgeweer dat een meter verderop in de modder lag. Hij richtte het op Daan, die naar adem hapte in de stroming.
'Dit is het einde, jochie!' briesde Dean.
Ik dacht niet na. Ik voelde geen angst meer, alleen een allesverteerbare moederwoede. Ik rende op Dean af en vloot mezelf met mijn volle gewicht tegen zijn rug. We vielen beiden hard op de rotsen aan de oever van de rivier. Het geweer vloog uit zijn handen en belandde met een plons in het diepe, kolkende water van de rivier, waar het onmiddellijk in de diepte verdween.
Dean vloekte hard en draaide zich om. Hij greep me bij mijn keel en duwde me hard tegen een grote rotsblok. Zijn vingers knepen mijn luchtpijp dicht. De wereld om me heen begon zwart te worden bij de randen.
'Jij stomme trut!' gilde hij, zijn gezicht rood van woede en inspanning. 'Je had gewoon thuis moeten blijven! Je had gewoon moeten blijven huilen om je dode man!'
Ik probeerde te ademen, mijn vingers klauwden vergeefs naar zijn dikke polsen. Ik zag Sophie boven aan de helling naar beneden rennen, maar ze zou nooit op tijd zijn.
Plotseling klonk er een fel, scherp geluid door het bos. Een steen, met immense kracht geworpen, sloeg tegen de zijkant van Deans hoofd.
Dean liet mijn keel los en sloeg een kreet van pijn uit. Hij greep naar zijn bloedende slaap en steunde achterover.
Ik viel op de grond, naar lucht happend, hoestend en proestend.
Toen ik opkeek, zag ik aan de overkant van de smalle rivier twee figuren staan. Twee jongens. De ene was veertien, de andere zestien. Ze droegen kleding gemaakt van dierenvellen en oude lappen, en in hun handen hielden ze grote houten slingerwapens en stenen.
'Blijf van onze moeder af!' schreeuwde de kleinste met een schril, maar dapper geluid.
Het waren Luuk en Timmy.
Mijn zoons. Mijn kleine jongens, opgroeid tot jonge overlevers in het woud.
Dean vloekte en keek om zich heen. Hij was zijn geweer kwijt, hij was gewond aan zijn hoofd, en boven aan het ravijn verschenen nu de felblauwe lichten van meerdere politieauto's die door de bomen schudden. Het geluid van blaffende politiehonden en roepende agenten vulde de lucht.
'Hierheen! Ik hoor schoten!' schreeuwde een stem van boven.
Dean besefte dat zijn spel gespeeld ছিল. Het masker was definitief afgevallen. Hij keek naar mij, naar de jongens aan de overkant van de rivier, en keerde zich toen om. Hij rende niet naar boven richting de politie, maar vluchtte langs de rivierbedding dieper het ravijn in, richting de verlaten tunnelstelsels onder de oude houtzagerij.
Daan krabbelde uit het water en hielp me overeind. 'Mam! Gaat het?'
'Ik leef... ik leef,' hoestte ik, terwijl ik mijn armen uitsloeg naar de overkant van de rivier. 'Luuk! Timmy!'
De twee jongere jongens sprongen zonder aarzelen van steen op steen over de wilde rivier en vlogen in onze armen. Daar, in de modder van het ravijn, terwijl de regendruppels op ons neerkaatsten, waren we na zes lange jaren eindelijk weer herenigd. Mijn drie zoons en mijn oudste dochter.
Maar het gevaar was nog niet geweken. Above ons klonken de stemmen van de politie, maar ik wist dat Dean de ondergrondse tunnels kende als zijn broekzak. Als hij de stroomversnelling overstak naar de andere zijde van het bos, zou hij voorgoed verdwijnen—of ergere dingen doen.
Ik keek de politieagenten tegemoet die nu de helling af kwamen rennen met hun zaklampen en getrokken pistolen, aangevoerd door commissaris Hendriks, een oude vriend van Dean.
'Niet schieten!' schreeuwde ik met mijn laatste krachten. 'Niet schieten! Het zijn mijn kinderen!'
Commissaris Hendriks stopte abrupt, zijn zaklamp viel op de drie wilde, maar onmiskenbare gezichten van de jongens die zes jaar geleden dood verklaard waren. Zijn pistool zakte langzaam. His gezicht werd zo wit als een laken.
'Eleanor...?' stammerde Hendriks. 'Mijn God... hoe...?'
'Dean heeft dit gedaan!' schreeuwde ik, wijzend naar de rivierbedding. 'Hij heeft Daniel vermoord! Hij heeft ze zes jaar lang opgesloten en op ze gejaagd! Hij is onderweg naar de tunnel onder de zagerij!'
Hendriks keek naar de jongens, toen naar de bloedende plek op mijn hals, en besefte in één klap dat hij zes jaar lang de verkeerde man had geloofd.
'Zoekploeg alpha, achter mij aan!' beval Hendriks via zijn radio, zijn stem trillend van de schok. 'Sluit het hele terrein rond de houtzagerij af! Dean is gewapend en gevaarlijk!'
Maar Daan greep de arm van de commissaris vast. 'U begrijpt het niet, commissaris. Oom Dean gaat niet vluchten. Hij gaat naar de opslag onder het beton. Hij heeft daar dynamiet opgeslagen om de bewijzen van het bouwbedrijf op te blazen als het ooit misging. Als hij dat aansteekt, stort het hele ravijn in!'






