Deel 5: De Vluchtroute
Mijn vingers trilden toen ik over de in de muur gekraste letters strireek. Daniels handschrift. Er was geen twijfel mogelijk. Het was zijn laatste bericht aan mij, geschreven in de wanhopige wetenschap dat hij de kelder wellicht nooit meer levend zou verlaten, maar met de hoop dat zijn kinderen het wel gered hadden.
'Ze leefden nog...' fluisterde Sophie, haar stem vol ongeloof en een sprankje hoop. 'Mam, de jongens leefden toen papa ze liet ontsnappen!'
'Ja,' zei ik, terwijl een golf van adrenalinene door mijn aderen stroomde. 'De politie dacht dat ze in het meer verdronken waren, maar ze waren helemaal niet op het meer! Ze waren hier!'
Mijn hoofd tolde van de vragen. Als Timmy, Luuk en Daan zes jaar geleden uit deze kelder waren ontsnapt, waarom waren ze dan nooit naar huis gekomen? Waarom had niemand ze gezien? De jachthut waar Daniel over schreef, was een oude, vervallen schuilplaats die diep in de bossen aan de andere kant van het ravijn lag. Een plek waar Daniel de jongens vroeger mee naartoe nam om te kamperen.
'We moeten die luchtschacht vinden,' zei ik beslist. 'Nu meteen.'
We rennen naar de hoek van de kelder waar een stapel verrotte, houten fruitkisten opgestapeld stond tegen de muur. Met behulp van de koevoet begonnen Sophie en ik de zware kisten weg te trekken. Het hout was deels vergaan door het vocht, en de stank van schimmel en opgeschrikte spinnen vulde de lucht.
Achter de derde laag kisten kwam inderdaad een opening tevoorschijn. Het was een smalle, vierkante tunnel van ongeveer een meter breed, omringd door ruwe bakstenen. Een koude luchtstroom waaide ons tegemoet. Het was verse buitenlucht.
'Hier zijn ze doorheen gekropen,' zei ik, terwijl ik het licht van de zaklamp in de tunnel scheen. Op de bodem van de schacht, half bedekt onder een laag stof en bladeren, zag ik iets glimman.
Ik reikte naar binnen en pakte het op. Het was een klein, blauw stoffen schoentje. Een kinderschoen. De zool was afgesleten en de veter was doorgebrand. Het was de schoen van Luuk, onze middelste zoon, die destijds pas acht jaar oud was.
Tranen van gemengde emoties—verdriet, woede, maar bovenal een brandende hoop—stroomden over mijn wangen. Ik drukte het schoentje tegen mijn borst. Ze waren hier geweest. Ze hadden gevochten voor hun leven.
'Sophie, jij gaat eerst,' zei ik terwijl ik haar de zaklamp gaf. 'De tunnel is smal, maar we passen erdoorheen. Als we eenmaal buiten zijn, gaan we rechtstreeks naar de jachthut.'
'En als Dean daar is?' vroeg ze bang. 'Hij weet dat we zijn ontsnapt als hij de auto vindt!'
'Dean denkt dat we opgesloten zitten onder het zware luik,' antwoordde ik, terwijl ik de koevoet stevig in mijn hand klemde. 'Hij heeft er geen idee van dat we de schacht hebben gevonden. We hebben het voordeel van de verrassing, maar we moeten snel handelen.'
Sophie knikte dapper, wurmde zich in de smalle opening en begon op haar handen en knieën door de spinnenwebben en het vuil naar voren te kruipen. Ik volgde haar op de voet, de koevoet achter me aan slepend. De ruimte was verstikkend nauw. De scherpe stenen sneden in mijn knieën en ellebogen, maar ik voelde geen pijn. Het enige wat telt, was het bereiken van het einde van de tunnel.
Na wat voelde als een eeuwigheid van kruipen door het pikkedonker, zag ik een flauw, grijs licht aan het einde van de schacht. De tunnel eindigde in een holle boomstam die halverwege een steile helling buiten het gebouw uitkwam, slim verborgen voor het oog van iedereen die boven rondliep.
Sophie duwde de takken en het gebladerte dat de uitgang blokkeerde opzij en gleed naar buiten op de natte bosgrond. Ik klom achter haar aan en ademde de frisse, vochtige nachtlucht in.
We stonden aan de rand van het ravijn, een paar honderd meter verwijderd van de oude houtzagerij. In de verte, door de mist heen, konden we het contour van Deans pick-up zien staan bij de hoofdingang. Zijn lichten waren uit. Hij was blijkbaar nog steeds binnenshuis, waarschijnlijk bezig met het wissen van zijn sporen of het voorbereiden van zijn volgende zet.
'We moeten om het ravijn heen lopen,' fluisterde ik. 'Richting de jachthut. Het is ongeveer twee kilometer door het dichte bos.'
We begonnen te rennen, gebruikmakend van de dekking van de dikke eiken en dennenbomen. De regen begon zachtjes te vallen en veranderde de bosgrond in een glibberige modderpoel, maar we stopten niet. Elke stap bracht ons dichter bij de antwoorden waar ik al zes jaar naar verlangde.
Terwijl we dieper het woud in trokken, begon het mistige duister langzaam te veranderen in het eerste, grijze licht van de ochtendgloren. De jachthut dook op tussen de dichte struiken. Het was een klein houten gebouwtje met een schuin dak, overwoekerd door klimop en mos. Het zag er verlaten en verwaarloosd uit, alsof er in geen jaren iemand was geweest.
Mijn hart zonk me even in de schoenen. Was dit een dood spoor? Hadden de jongens de hut wel ooit bereikt?
We slopen naar de houten deur. Hij stond op een kier, heen en weer waaiend in de wind met een krakend geluid. Ik duwde de deur langzaam verder open en stapte naar binnen, de koevoet opgeheven.
De binnenkant was donker en rook naar oud hout en verbrande bladeren. Er stond een verroeste houtkachel in de hoek, een kapotte houten tafel en een paar lege blikken voedsel die op de grond lagen.
Maar wat mijn aandacht trok, was de vloer bij de kachel. Daar lagen drie kleine, opgewikkelde slaapzakken, half bedekt onder een deken. En op de muur boven de kachel waren met een stuk houtkool streepjes gezet. Honderden streepjes, gegroepeerd in vijven.
Iemand had hier niet een paar dagen gewoond. Iemand had hier maanden, misschien wel jaren doorgebracht.
Plotseling klonk er achter ons in de dichte struiken buiten de hut het geluid van een brekende tak, gevolgd door een diep, schor gefluister:
'Wie is daar? Blijf staan of ik schiet!'






