Deel 6: De Schuilplaats in het Bos
Ik verstijfde. Sophie slaakte een korte kreet en dook achter mij weg. Ik draaide me langzaam om naar de opening van de houten deur, met de koevoet nog steeds stevig in mijn trillende handen geklemd.
In de deuropening, afgetekend tegen het flauwe ochtendlicht dat door de bomen filterde, stond een gestalte. Hij was lang, mager en gekleed in versleten, vuile kleding die uit meerdere lagen over elkaar leek te bestaan. In zijn handen hield hij een zelfgemaakte houten speer met een scherpe metalen punt—een oud mes dat met ijzerdraad aan een dikke tak was gebonden. Zijn gezicht was deels verborgen achter een wilde, onverzorgde baard en lang, donker haar.
Maar toen de straal van het ochtendlicht over zijn ogen gleed, voelde ik de aarde onder mijn voeten wegzakken.
Die ogen. De amandelvormige, diepblauwe ogen met het kleine bruine vlekje in de linker iris.
'Daan...?' fluisterde ik, en mijn stem trilde zo erg dat het nauwelijks als een woord klonk.
De jongen knipperde met zijn ogen. De agressie in zijn houding veranderde in verwarring. De speer in zijn handen begon te zakken. Hij zette een aarzelende stap naar voren, de hut in.
'Mam?' zei hij met een hese, bijna verleerde stem.
'Daan! Mijn God, Daan!'
Ik liet de koevoet op de grond vallen en vloog op hem af. Ik sloeg mijn armen om hem heen, trok hem tegen me aan en rook de geur van dennennaalden, rook en aarde die aan hem kleefde. Hij was zo mager, ik voelde zijn ribben door zijn versleten jas heen, maar hij was het. Onze oudste zoon, die veertien was toen hij verdween en nu een jonge man van twintig was.
Daan liet zijn speer vallen en klemde zich aan mij vast. Hij begon hevig te shaken, en luide, schokkende snikken kwamen uit zijn keel. 'Mam... je bent het echt... je bent het echt...'
Sophie rende naar ons toe en sloot zich bij de omhelzing aan, terwijl de tranen over haar gezicht stroomden. 'Daan! Je leeft! Je leeft!'
Minutenlang stonden we daar, opgesloten in een omhelzing die zes jaar van ondragelijke pijn en verlangen probeerde te overbruggen. Ik kuste zijn voorhoofd, zijn wangen, hield zijn gezicht tussen mijn handen alsof ik er zeker van wilde zijn dat hij geen geest was.
'Daan, mijn jongen,' huilde ik. 'Waar zijn je broers? Waar zijn Luuk en Timmy? En je vader?'
Bij het horen van die namen veranderde de blik van Daan onmiddellijk. De schrik keerde terug in zijn ogen. Hij keek angstig achterom richting het dichte bos, alsof hij verwachtte dat er op elk moment iemand tevoorschijn kon komen.
'Papa... papa is die nacht niet uit de kelder gekomen,' zei Daan met een gebroken stem. 'Hij duwde ons door de schacht en zei dat we moesten rennen en ons moesten verbergen in de jachthut. Hij zei dat we op jou moesten wachten... maar je kwam nooit.'
'Ik wist het niet, lieverd! Ik wist het niet!' riep ik uit. 'De politie zei dat jullie verdronken waren in het meer! Dean heeft iedereen bedrogen!'
Daan balde zijn vusten tot knokkels die wit uitsloegen. 'Oom Dean... hij heeft ons gezocht, mam. Wekenlang struinde hij dit bos af. Wij zagen hem vanaf de rotsen met zijn zaklamp. Hij riep onze namen, maar papa had ons gewaarschuwd: Vertrouw Dean nooit. Als hij jullie vindt, maakt hij af waar hij aan begonnen is. Dus bleven we verborgen.'
'En Luuk en Timmy?' smeekte ik, terwijl mijn hart bonkte van angst voor het antwoord. 'Waar zijn ze?'
Daan keek me strak aan. 'Ze zijn veilig. Ze zijn in de geheime holte onder de waterval, een kilometer verderop. Ik ga alleen naar buiten om eten te zoeken. We hebben overleefd van de vis uit de rivier, konijnen en wat we konden vinden. Maar mam... we konden niet weg. Oom Dean heeft borden geplaatst langs de rand van het bos, en we zagen zijn wagen bijna elke week patrouilleren op de hoofdweg. We dachten dat hij het hele dorp in zijn greep had. We dachten dat jij...'
'Wat dachten jullie?' fluisterde ik.
'We dachten dat hij jou ook iets had aangedaan,' zei Daan softly, en er rolde een nieuwe traan over zijn wang. 'We dachten dat we de enigen waren die nog leefden.'
Mijn hart brak in duizend stukken bij het idee van drie jonge kinderen die zes jaar lang alleen in de wildernis hadden overleefd, doodsbang voor hun eigen oom, denkend dat hun hele familie vernietigd હતો.
'Ik leef, Daan. En Sophie leef ook, en Lotte en Emma wachten thuis,' zei ik krachtig. 'En ik ga jullie hier nu weghalen. Alle drie.'
'We moeten voorzichtig zijn,' zei Daan gehaast, terwijl hij mijn arm greep. 'Dean is niet alleen. Hij heeft afgelopen jaar mannen meegebracht naar de oude houtzagerij. Ze bouwen daar iets onder de grond. Ik heb ze vanuit de bomen bespioneerd. Ze verplaatsen zware kisten. Dean gebruikt dat gebied niet meer alleen voor het bedrijf... hij verbergt er iets anders.'
Voordat ik kon vragen wat hij bedoelde, hoorden we in de verte het geluid van een helikopter die laag over de boomtoppen vloog. En vlak daarna, vanaf de richting van de weg, het loeien van politiesirenes.
Sophie keek geschokt naar het raam. 'De politie? Wie heeft de politie gebeld?'
'Dat snap je niet?' zei een stem plotseling vanaf het pad buiten de hut.
We verstijfden allemaal.
De deur van de hut werd met een harde trap opengestoten. Daar stond Dean. In zijn hand hield hij een zwaar jachtgeweer, op ons gericht. Zijn gezicht was vertrokken van een mengeling van woede en een waanzinnige triomf.
'Ik heb de politie gebeld, Eleanor,' zei Dean met een valse, wrede glimlach. 'Ik heb ze verteld dat jij een psychotische inzinking hebt gekregen, mijn auto hebt gestolen en je dochter mee het bos in hebt gesleurd. En kijk nou eens wat een verrassing... ik heb je gevonden. Samen met de 'vermissing' die ik al zes jaar probeer op te lossen.'
Hij richtte de loop van het geweer recht op het borstkas van Daan.
'En helaas voor jullie... gaat de politie jullie alleen maar vinden nadat er een 'tragisch schietincident' heeft plaatsgevonden uit zelfverdediging.'






