DEEL 10 — DE GROOTMOEDER
De oude vrouw glimlachte.
“Mijn kleinzoon.”
Ik kon geen woord uitbrengen.
Laura stond naast mij te trillen.
“Moeder…”
De glimlach van de vrouw verdween.
“Zeg mijn naam niet alsof je blij bent me te zien.”
Laura slikte.
“Je bent dood.”
“Dat was de bedoeling.”
Hendrik richtte zijn wapen op haar.
“Blijf staan.”
De vrouw keek hem rustig aan.
“Jij hebt mijn kleinzoon dertig jaar gestolen.”
Hendrik antwoordde:
“Ik heb hem gered.”
“Van mij?”
“Van iedereen.”
Ze lachte zacht.
“Je hebt altijd gedacht dat ik het probleem was.”
Ze keek naar mij.
“Maar je vader was degene die het imperium wilde vernietigen.”
Ik keek naar Laura.
“Is dat waar?”
Laura schudde haar hoofd.
“Nee.”
De vrouw keek haar aan.
“Je liegt nog steeds tegen hem.”
“Niet over dit.”
“Dan vertel hem de waarheid.”
Ik voelde mijn hart bonzen.
“Welke waarheid?”
Mijn grootmoeder kwam langzaam dichterbij.
“Dat Alexander niet jouw vader was.”
Ik verstijfde.
Laura werd bleek.
“Moeder, zwijg.”
“Waarom?”
Ze keek mij aan.
“Omdat je moeder bang is voor wat je zult ontdekken.”
Ik keek naar Laura.
“Wie is mijn biologische vader?”
Ze begon te huilen.
“Thomas…”
“Wie?”
Mijn grootmoeder antwoordde:
“Victor.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Dat weet ik al.”
“Nee.”
Ze glimlachte.
“Je kent de verkeerde Victor.”
Ik begreep het niet.
“Wat bedoel je?”
Ze wees naar de man die achter haar stond.
Een oudere man stapte naar voren.
Ik kende hem.
Mijn hele leven had ik zijn foto in documenten gezien.
Victor Vos.
De broer van Gerard.
De man die volgens iedereen twintig jaar geleden was overleden.
Hij glimlachte.
“Hallo, zoon.”
Mijn lichaam verstijfde.
Laura zakte bijna door haar knieën.
“Victor…”
Hij keek haar aan.
“Je had hem nooit mogen verlaten.”
Laura antwoordde:
“Ik verliet hem om hem te beschermen.”
Victor lachte.
“Je hebt hem juist aan Hendrik gegeven.”
Hendrik stapte naar voren.
“Genoeg.”
Victor keek hem aan.
“Jij hebt je opdracht goed uitgevoerd.”
Ik draaide me naar Hendrik.
“Welke opdracht?”
Hendrik zweeg.
“Welke opdracht?”
Victor antwoordde voor hem.
“Hij moest jou grootbrengen.”
“Waarom?”
“Omdat jij op een dag de controle over het imperium zou krijgen.”
Ik keek naar mijn grootmoeder.
“En jij?”
Zij antwoordde:
“Ik moest ervoor zorgen dat niemand je vond.”
Ik voelde mijn handen trillen.
“Dus mijn hele leven…”
“Was een toneelstuk.”
Mijn grootmoeder keek mij recht aan.
“Maar één ding was echt.”
“Wat?”
“Je moeder hield van je.”
Laura begon te huilen.
Ik keek naar haar.
“Waarom heb je me dan verlaten?”
“Omdat Victor dreigde jou te vermoorden.”
Victor schudde zijn hoofd.
“Ik wilde mijn zoon terug.”
“Je wilde de macht.”
Hij glimlachte.
“Dat ook.”
Sophie kwam naast mij staan.
“Thomas, luister niet naar hem.”
Victor keek haar aan.
“Jij.”
Sophie verstijfde.
“Je bent precies zoals je moeder.”
“Wat bedoel je?”
Victor antwoordde:
“Ze heeft je verteld dat ze jouw moeder is.”
Sophie keek naar Laura.
“Is dat niet zo?”
Laura schudde haar hoofd.
“Nee.”
Sophie werd bleek.
“Wat?”
Laura pakte haar hand.
“Het spijt me.”
“Wie ben ik dan?”
Victor keek naar haar.
“Mijn dochter.”
Sophie deed een stap achteruit.
“Maar Thomas…”
“Jij bent zijn zus.”
De stilte was ondraaglijk.
Ik keek naar Sophie.
Zij keek naar mij.
“Dus…”
Ik knikte langzaam.
“Blijkbaar.”
Victor glimlachte.
“En nu begrijp je waarom jullie samen nodig zijn.”
Ik keek hem aan.
“Waarvoor?”
“Voor de erfenis.”
“Je bedoelt het geld.”
“Nee.”
Victor keek naar mijn grootmoeder.
“Het geld is slechts het begin.”
Mijn grootmoeder haalde een klein zwart boek uit haar jas.
Ze gaf het aan mij.
“Open het.”
Ik sloeg de eerste pagina om.
Namen.
Duizenden namen.
Bankrekeningen.
Bedrijven.
Politici.
Rechters.
Politieagenten.
En helemaal onderaan stond één zin:
DE WERELD IS NIET VAN DE RIJKSTEN.
Ik keek naar mijn grootmoeder.
“Van wie dan?”
Ze antwoordde:
“Van degene die de juiste mensen bezit.”
Mijn maag draaide om.
“Dit is geen familiebedrijf.”
“Nee.”
“Dit is een netwerk.”
“Precies.”
Hendrik fluisterde:
“Thomas, geef dat boek aan mij.”
Ik keek naar hem.
“Waarom?”
“Omdat je niet begrijpt wat je vasthoudt.”
Victor lachte.
“Laat hem maar lezen.”
Ik bladerde verder.
Toen zag ik een naam.
GERARD VOS.
Daaronder stond:
ACTIEVE STATUS — VERRADER.
Ik keek op.
“Gerard werkte voor jullie?”
Mijn grootmoeder knikte.
“Jarenlang.”
“Waarom jaagt hij dan op mij?”
“Omdat hij het imperium voor zichzelf wil.”
“En jij?”
“Ik wil dat jij het overneemt.”
Ik sloot het boek.
“Nooit.”
Ze glimlachte.
“Je hebt geen keuze.”
Op dat moment klonk er een explosie.
De ramen van het ziekenhuis sprongen.
Iedereen dook naar beneden.
Sophie trok mij achter een auto.
“Schutters!”
Victor schreeuwde naar zijn mannen.
“Bescherm Thomas!”
Ik keek verbaasd.
“Beschermen?”
Victor antwoordde:
“Als jij sterft, verliezen we alles.”
Hendrik trok mij omhoog.
“WEG HIER!”
We renden naar een zwarte auto.
Laura zat al achterin.
Sophie stapte naast haar.
Ik wilde instappen.
Toen zag ik mijn grootmoeder.
Ze stond midden op straat.
Volkomen rustig.
“Kom!”
Ze keek mij aan.
“Je kunt niet vluchten voor je eigen bloed.”
Een kogel sloeg vlak naast haar in de grond.
Ze keek omhoog.
Toen glimlachte ze.
“Ze zijn er.”
“Wie?”
Ze antwoordde:
“Gerard.”
Een colonne zwarte auto's kwam de straat in.
De deuren gingen open.
Gerard stapte uit.
Hij keek rechtstreeks naar mij.
“Thomas!”
Ik stond stil.
Gerard richtte zijn wapen niet op mij.
Hij richtte het op Victor.
“Jij hebt lang genoeg gelogen.”
Victor lachte.
“En jij hebt lang genoeg verloren.”
Gerard schoot.
Victor dook weg.
Chaos brak uit.
Mensen renden.
Auto's botsten.
Schoten klonken overal.
Ik trok Laura mee.
“Sophie!”
“Ik ben hier!”
We renden naar de tunnel onder het ziekenhuis.
Hendrik sloot de deur achter ons.
“Doorlopen!”
Maar na twintig meter stopte Laura.
“Wacht.”
“Wat?”
Ze keek naar de muur.
Daar stond een oude inscriptie.
Ik kwam dichterbij.
Er stond:
ALS DE ERFGENAAM TERUGKEERT, MOET DE LAATSTE DEUR WORDEN GEOPEND.
Daaronder stonden twee handafdrukken.
Eén voor mij.
Eén voor Sophie.
Sophie keek mij aan.
“Denk je dat…”
Ik legde mijn hand op de muur.
Zij deed hetzelfde.
Een diepe trilling ging door de tunnel.
De muur schoof langzaam open.
Achter de muur lag een enorme ondergrondse ruimte.
Vol met kluizen.
Computers.
Documenten.
Goud.
En in het midden stond één stoel.
Daarboven hing een foto.
Een foto van mij als baby.
Naast mij stond een man.
Ik herkende hem niet.
Laura begon te huilen.
“Thomas…”
Ik keek haar aan.
“Wie is die man?”
Ze antwoordde:
“Je vader.”
“Victor?”
“Nee.”
Ze keek naar de foto.
“Zijn naam was…”
Ze stopte.
Toen klonk achter ons een stem.
“Alexander.”
Ik draaide me om.
Hendrik stond in de deuropening.
Maar hij was niet alleen.
Gerard stond naast hem.
Gerard hield een pistool tegen Hendriks hoofd.
Ik voelde mijn bloed koud worden.
“Wat doe je?”
Gerard glimlachte.
“Hendrik heeft lang genoeg gezwegen.”
Hendrik keek mij aan.
“Thomas…”
Gerard duwde het wapen harder tegen zijn hoofd.
“Vertel hem de waarheid.”
Hendrik sloot zijn ogen.
“Alexander was niet je vader.”
Ik voelde mijn wereld opnieuw instorten.
Gerard glimlachte.
“En nu komt het mooiste deel.”
Hij keek naar Sophie.
“Want haar vader…”
Hij wees naar de foto.
“…was Alexander.”
Sophie verstijfde.
Ik keek naar haar.
Toen naar Laura.
Niemand sprak.
Gerard fluisterde:
“Jullie zijn geen broer en zus.”
Hij glimlachte.
“Jullie zijn twee erfgenamen van twee verschillende takken.”
Hij wees naar de enorme kluis achter ons.
“En alleen samen kunnen jullie de erfenis openen.”
Op dat moment gingen alle kluizen tegelijk open.
Een alarm begon te loeien.
En op het grootste scherm verscheen één bericht:
ERFENIS OVERGEDRAGEN.
NIEUWE EIGENAAR: THOMAS DE VRIES.
Maar onder die naam verscheen een tweede regel.
TWEEDE ERFGENAAM: SOPHIE DE VRIES.
Sophie keek mij aan.
“Thomas…”
Ik keek naar het scherm.
En toen besefte ik iets.
De erfenis was nooit het geld geweest.
Wij waren de erfenis.





