Deel 2
De wereld om mij heen lijkt plotseling in slow motion te bewegen. Elke hartslag dreigt mijn borstkas te doorbreken terwijl de man met de littekens onverbiddelijk naderbij komt. Zijn lange, donkere jas wappert lichtjes alsof hij door een storm loopt, hoewel de Aula Magna gevuld is met bedompte, warme stilte. Mijn gedachten tollen in het rond; hoe heeft hij ons gevonden?
Wat wil hij van mijn jongens? Twintig jaar lang heb ik gevochten als een leeuwin om hen te beschermen tegen de rauwe randen van de stad, tegen armoede, tegen verwaarlozing, en nu staat het gevaar vleesgeworden op een steenworp afstand van het podium. Sam en Eli hebben niets door. Hun gezichten stralen van pure triomf. Ze lopen met trotse, rechte schreden naar voren, hun zwarte toga's ritselend over de houten vloer.
De professoren applaudisseren en het publiek valt in met een warm, golvend gejuich. Ik wil opstaan, ik wil schreeuwen, ik wil hen wegtrekken uit het licht van de schijnwerpers, maar mijn benen weigeren dienst. Ze voelen aan als lood, vastgelijmd aan de grond van de derde rij. Mijn handen graven zich diep in de bekleding van de stoel. De man nadert de zijtrap van het podium.
Zijn ogen, scherp en koud als winterijs, zijn volledig gericht op de twee jonge mannen die net hun diploma's in ontvangst nemen. Op dat moment flitsen er herinneringen door mijn hoofd die ik zorgvuldig had begraven. De nacht dat Lucas, mijn broer, wegliep. De rook in het kraakpand waar hij verkeerde in duistere kringen. De schulden bij mannen die geen genade kennen.
Lucas had altijd een groot hart gehad, maar hij was naïef, verstrikt geraakt in een web van illegale handel en gevaarlijke figuren die grotere belangen nastreefden dan alleen geld. Toen hij ontdekte dat de tweeling gevaar liep, nam hij het besluit om te verdwijnen, in de hoop dat de storm zou overwaaien. Maar stormen in de onderwereld verdwijnen niet; ze wachten geduldig tot de oogst rijp is.
En nu, precies op de dag dat Sam en Eli hun volwassenheid bezegelen, komen ze innen wat er volgens hen altijd al lag te wachten. De man heft zijn hand. In zijn palm ligt datzelfde vergeelde briefje, opengevouwen. Het flikkert in het schijnsel van de spotlichten. De rector ziet hem nu ook en trekt bleek weg, zijn hand stokt halverwege de handdruk met Eli.
De sfeer in de zaal slaat in een fractie van een seconde om van feestelijk naar ijselijk doodstil. Niemand begrijpt wat er gebeurt, behalve ik. Ik bijp op mijn lip tot er bloed komt; de metaalachtige smaak vult mijn mond. Ik moet handelen. Als ik nu niet opsta, verlies ik alles wat mij dierbaar is. Met een laatste krachtsinspaning scheur ik mezelf los uit de stoel, struikel over de tas van een bezoeker die naast me zit, en zet de achtervolging in, net op het moment dat de man het podium betreedt en zijn arm uitstrekt naar mijn verbijsterde zoons.






