Deel 11: Het Verleden Klopt Op De Deur
De naam klonk aanvankelijk niet bekend, maar de woorden ‘ziekenhuis’ en ‘twaalf jaar geleden’ deden mijn bloed in aderen stollen. Ik hield de deur strak op een kier, mijn knokkels wit van de spanning. ‘Wat heeft u te zoeken bij mij, meneer Van Dalen?’ vroeg ik, en mijn stem klonk scherper dan ik had bedoeld. ‘Het verleden is afgesloten. Mijn man is tien jaar geleden overleden en alles wat erover te zeggen viel, is gezegd.’ Robert van Dalen schudde traag zijn hoofd.
Zijn ogen leken wel getekend door slapeloze nachten. ‘Nee, mevrouw De Jong,’ zei hij met een trillende stem. ‘Het is niet afgesloten. Niet voor u, en zeker niet voor mij. Ik ben hier niet gekomen om oude wonden open te rijten, maar omdat ik de waarheid moet vertellen voordat het te laat is.’ ‘De waarheid?’ herhaalde ik schamper. ‘De waarheid over wat?
Over de dood van mijn man? Die staat allang in de medische rapporten.’ ‘Nee,’ zei de man beslist, terwijl hij een stap dichter bij de deur deed. ‘Dat rapport was incompleet. Er is destijds iets onder het tapijt geschoven. Iets wat veel groter is dan het ongeluk met de medicatie van uw dochter.’ Mijn maag trok zich samen tot een harde knoop. Ik dacht aan Livia.
Ze had genoeg geleden; ze had maandenlang in de waan geleefd dat ze haar vaders moordenares was geweest, voordat we de echte medische notities vonden. En nu stond deze vreemde man op de stoep om te beweren dat er nóg meer aan de hand was? ‘U komt ongelegen,’ zei ik resoluut. ‘Ga weg. Als u iets te melden heeft, moet u bij mijn advocaat zijn.’ ‘Mr. Van der Meer neemt mijn oproepen niet meer op,’ zuchtte Robert wanhopig.
Hij greep in de binnenzak van zijn jas en haalde een dikke, vergeelde envelop tevoorschijn. ‘Kijk naar deze documenten, mevrouw De Jong. Alstublieft. Het kost u nog geen minuut van uw tijd. Als u hierna nog wilt dat ik wegga, dan ga ik en laat ik u voor eeuwig met rust.’ Hij hield de envelop omhoog. Door de kier van de deur zag ik de rode stempels van het ziekenhuis uit die tijd, en erboven een handtekening die ik onmiddellijk herkende: die van de hoofdchirurg die de dienst had op de avond dat Henk overleed.
Mijn hand trilde toen ik de deur een stukje verder opduwde en de envelop uit zijn handen pakte. ‘Blijf hier staan,’ zei ik streng. Ik sloeg de envelop open en trok een paar getypte vellen papier tevoorschijn. Mijn ogen gleden over de regels. Naarmate iklas, voelde ik de koude rillingen over mijn rug lopen. Dit ging niet meer over een medische fout. Dit ging over opzet. En over iemand die heel dicht bij ons stond.






