Deel 7: Ogen in het donker
De gele, reflecterende ogen komen met een duivelse snelheid dichterbij door de rioolbuis. Daniel reageert onmiddellijk en vuurt een waarschuwingsschot af. De harde knal van het pistool galmt oorverdovend door de ondergrondse bunker, de rook vult direct de krappe ruimte en prikt in hun ogen. Het schot heeft echter niet het gewenste afschrikkende effect; integendeel, het wezen in de tunnel stoot een ijselijke, sissende kreet uit die klinkt als stoom die uit een oververhitte ketel ontsnapt. María voelt de drukgolf van de geluidswal door de kelder trekken. ‘Het komt eraan! Daniel, schiet!’ schreeuwt ze uit de grond van haar hart.
In de flakkerende lichtbundel van de zaklamp wordt de vorm van het wezen eindelijk zichtbaar. Het is geen dier uit de natuur. Het is een menselijke gestalte, maar volledig misvormd door jaren van isolatie, ondervoeding en onvoorstelbare gruwelijkheden. De man – want het is wel degelijk een mens, hoewel gekleed in lappen vuil leer en met een huid zo wit als albast – kruipt op handen en voeten met een angstaanjagende lenigheid door de buis. Zijn ledematen zijn lang en onnatuurlijk dun, zijn kaak is ontwricht in een brede, bloeddorstige grijns waarin rijen vlijmscherpe, verwaarloosde tanden glinsteren. Dit is de ‘slang’ waar Emily het over had. Dit is de nachtmerrie die in het donker leefde.
Met een wilde sprong stort het wezen zich uit de opening, recht op Daniel af. Daniel wordt door de pure impact achterover op de betonnen vloer geworpen, zijn zaklamp rolt weg en verspreidt een dof, rollend licht in de hoek van de kelder. María aarzelt geen seconde. Ze heft haar wapen en schiet tweemaal op het wezen dat erboven op Daniel is gedoken. De kogels raken het doel; het wezen gilt het uit – een geluid dat meer weg heeft van een stervend dier dan van een mens – en tuimelt opzij, weg van Daniel. Het bloed spat tegen de betonnen muur.
Daniel krabbelt overeind, hij ademt zwaar en grijpt naar zijn schouder waar zijn uniform is opengehaald door de scherpe nagels van de aanvaller. ‘Gaat het?’ roept María, terwijl ze haar wapen strak op het gewonde wezen gericht houdt dat nu kreunend op de grond ligt te kronkelen. Daniel knikt heftig, hoewel het zweet over zijn voorhoofd stroomt. ‘Ja... ja, ik leef.
Maar in godsnaam, María, wat is dit voor een monster?’ Het wezen probeert zich weer op te richten, zijn gele ogen staren hen met pure haat aan, terwijl het zachtjes sist: ‘De vader... de vader heeft ons gevoed...’ Plotseling klinkt er boven hen een luid sirenegeluid en de zware trap opent zich. Agent Kox schreeuwt naar beneden: ‘Daniel! María! De hoofdofficier is hier en we hebben nog een tweede verdachte opgepakt die buiten in de bosjes probeerde te vluchten!’






