Deel 6: Het spoor van bloed
De rode bloedspetters op de koude betonnen vloer trekken de onmiddellijke aandacht van zowel Daniel als María. Het bloed is nog nat, wat betekent dat het pas heel recent moet zijn gemorst – misschien nog maar enkele minuten geleden, vlak voordat ze op de voordeur klopten. Daniel volgt het spoor met zijn zaklamp, die schijnt op een smal pad tussen twee geïmproviseerde ijzeren kooien. De kooien zijn leeg, maar de matrassen die erin liggen zijn versleten, vies en vertonen duidelijke sporen van geweld. Er liggen riemen met metalen gespen op de grond en dikke rollen ducttape die aan de rand van de kooien bungelen.
‘Dit is gruwelijk,’ fluistert María, wier stem trilt van ingehouden woede en afschuw. Ze denkt aan de achtjarige Emily die boven stond met haar knuffelkonijn. Hoe heeft een kind in deze hel kunnen leven? Hoe heeft Thomas Miller, de man met die vriendelijke glimlach bij de voordeur, dit in vredesnaam opgebouwd onder het oog van een argeloze buitenwijk? Het spoor van bloed leidt recht naar het open stalen luik achter in de ruimte. Uit dat luik komt een donkere, smalle gang die dieper de aarde in lijkt te lopen, vermoedelijk richting de bossen of het rioleringsstelsel achter de wijk.
Plotseling klinkt er een metaalachtig gekletter vanuit de duistere gang achter het luik. Alsof er iemand – of iets – met opzet een stuk ijzer laat vallen om hun aandacht te trekken. Daniel heft zijn wapen en stapt kordaat naar voren. ‘Politie! Geef je over en kom naar buiten met je handen omhoog!’ roept hij met een harde, echoënde stem. Geen antwoord. Alleen het geluid van druppelend water ergens in de verte en een zwaar, piepend ademhalen dat erg lijkt op het geluid van een opgejaagd dier. María sluit achter hem aan, haar vinger rust op de trekker van haar dienstwapen, klaar om in een fractie van een seconde te handelen.
Ze naderen het stalen luik. De randen van het luik zijn bekleed met dikke, zwarte rubberen stroken die nu aan flarden zijn getrokken. Daniel buigt zich iets voorover om door de opening naar binnen te schijnen. De lichtbundel verdwijnt in de diepte van de ondergrondse tunnel, die is bekleed met betonnen buizen van de oude gemeentelijke riolering. En dan, ergens diep in de tunnel, ziet María iets bewegen. Twee reflecterende, gele punten die in het donker oplichten in het licht van de zaklamp. Geen menselijke ogen. Het is te groot, te vreemd, en het beweegt met een angstaanjagende snelheid recht op hen af.






