DEEL 6 — De schaduw in de haven
Mijn hart hamderde tegen mijn ribben als een gevangen vogel. Ik liet de telefoon aan Lucas zien. Zijn gezicht werd lijkbleek toen hij de naam van zijn zusje las.
"Ik ga met je mee," zei Lucas meteen. He greep zijn jaszak.
"Nee!" zei ik ferm. "Er staat uitdrukkelijk dat ik alleen moet komen. Als ze zien dat jij erbij bent, doen ze Sophie iets aan. Jij rijdt nu meteen naar het appartement van Sophie. Je zorgt dat ze veilig is, sluit de deuren en doet voor niemand open. Begrepen?"
"Maar mam, het is een val!"
"Het maakt niet uit wat het is. Ik laat Sophie niet in gevaar brengen." Ik pakte mijn tas, keek mijn zoon strak aan en zei: "Als ik om zes uur 's ochtends niks van me heb laten horen, bel je de politie en geef je ze de documenten uit de studeerkamer. Beloef me dat."
Lucas aarzelde, maar knikte uiteindelijk met de tranen in zijn ogen. "Beloofd. Pas alsjeblieft op, mam."
Vijftien minuten later reed ik door het industrieterrein bij de oude haven. De mist hing laag over het water en de straatlantaarns wierpen een grimmige, gele gloed over de verlaten loodsen. Het adres op het bericht leidde naar een vervallen scheepswerf die al jaren buiten gebruik was.
Ik parkeerde mijn auto een straat verderop, zette de motor uit en stapte in de koude nachtlucht. Mijn voeten maakten een zacht smaskend geluid op het natte asfalt. In mijn rechterzak hield ik een zwaar metalen zakmes geklemd dat ik uit de auto van Lucas had gepakt. Het gaf me weinig troost, maar het was iets.
De deur van Loods 4 stond op een kier. Een zwak lichtschijnsel kwam naar buiten. Ik duwde de zware ijzeren deur langzaam open. Het scharnier piepte luid in de stilte.
"Hallo?" riep ik. Mijn stem echode tegen de hoge stalen balken van het dak.
Er kwam geen antwoord. Alleen het drup-drup-druppelen van water uit een lekkend dak.
Ik stapte naar binnen. De ruimte lag vol met verroeste scheepsonderdelen, oude houten kisten en opgestapelde pallets. In het midden van de loods hing een enkele kale gloeilamp aan een snoer. Daaronder stond een stoel.
Op de stoel zat iemand.
Ik zette voorzichtig een paar stappen dichterbij, het mes stevig vastgrijpend. "Wie is daar?"
Toen ik dichtbij genoeg was, snakte ik naar adem.
Op de stoel zat niet mijn verdwenen broer Arthur. Het was ook niet Julian.
Het was de vrouw met de witte roos. Monique Laurent.
Ze zat vastgebonden aan de stoel met dezelfde dikke, zwarte kabelbinders die Lucas had beschreven op de plek van het ongeluk. Haar hoofd hing voorover, haar donkere haar viel over haar gezicht. Haar kleding was gescheurd en er zaten bloedvlekken op haar zijden blouse.
"Monique?" fluisterde ik, terwijl ik geschokt naderbij kwam.
Ze bewoog haar hoofd langzaam omhoog. Haar linkerenoog was dichtgeslagen en blauw. Toen ze me zag, veranderde de uitdrukking op haar gezicht van uitputting in pure paniek.
"Claire..." bracht ze er schor uit. "Nee... je had niet moeten komen... Het is..."
"Wie heeft je dit aangedaan?" Ik zakte door mijn knieën en begon te trekken aan de kabelbinders rond haar polsen, maar ze zaten veel te strak. "Waar is Julian? Waar is mijn broer?"
"Julian weet van niks..." hoestte Monique. "Hij dacht dat hij de leiding had... maar hij is net zo'n speelbal als jij en ik."
"Wie doet dit dan?" vroeg ik wanhopig.
"Dacht je nou echt dat Daniel de slimste van de twee was?" klonk ineens een zware, rauwe stem vanuit de schaduwen achter de opgestapelde kisten.
Ik versteende. Ik draaide me langzaam om.
Uit de duisternis stapte een grote man tevoorschijn. Hij droeg een donkere regenjas. Zijn hoofd was kaal, en over zijn linkerwang liep een diep, wit litteken. De man die Lucas had gezien bij het wrak van de auto.
In zijn hand hield hij een pistool met een geluidsdemper, recht op mijn borst gericht.
"Hallo, zusje," zei de man met een grimmige glimlach.
Mijn knieën begonnen te knikken. Ondanks de kale kop, ondanks het litteken dat zijn gezicht had vervormd... herkende ik die ogen.
"Arthur?" fluisterde ik verbijsterd. "Leef je nog?"
"Leven?" Arthur lachte, een koud, vreugdeloos geluid. "Ik heb twintig jaar in de hel geleefd dankzij jouw lieve echtgenoot! Maar nu... nu pakt de familie Vance eindelijk terug wat ons toebehoort."
Hij richtte het wapen iets hoger, precies op mijn voorhoofd.
"En jij, Claire, bent de laatste die nog op de boedelbeschrijving staat."






