Deel 9: Het Ontwaken van Kleine Lente
Ik sprong op uit mijn stoel en liet het politierapport achter op tafel. Met grote, snelle stappen liep ik naar de gang en duwde de ziekenhuisdeur voorzichtig verder open. Mijn dochter, Lente, lag rechtop in het ziekenhuisbed. De warme dekens waren tot haar middel opgetrokken. Haar grote, heldere ogen – die de afgelopen weken zo vaak dof en vermoeid waren geweest – keken me nu aan met een mix van angst, maar ook een sprankje herkenning.
“Papa…” fluisterde ze opnieuw, haar stem dit keer net iets sterker dan in de ijzige kou van die avond, al klonk er nog steeds een diepe pijn door in haar toon.
Ik voelde een golf van overweldigende opluchting door mijn lichaam stromen. Ik liet me op mijn knieën zakken naast het bed, zodat mijn gezicht precies op gelijke hoogte was met het hare. Ik pakte haar kleine, koele hand heel voorzichtig vast, erop lettend dat ik niet in de buurt van haar gekneusde ribben kwam.
“Ik ben hier, lieverd,” zei ik met een snik in mijn stem, terwijl ik haar handje naar mijn lippen bracht en zachtjes kuste. “Ik ben hier, en niemand doet je ooit nog kwaad. Beloof ik je.”
Lente knikte langzaam. Ze keek rond in de steriele ziekenhuiskamer en leek pas nu te beseffen dat ze weg was uit het huis waar de nachtmerrie zich had voltrokken. “Is mama... is mama er nog?” vroeg ze, en bij het horen van dat woord kromp ze direct ineen, haar schouders optrekkend alsof ze een nieuwe klap verwachtte.
“Nee, schatje,” antwoordde ik zo rustig en geruststellend mogelijk, al voelde ik de woede van binnen weer oplaaien. “Mama komt hier nooit meer. Ze is weg. En de politie zorgt ervoor dat ze hier heel lang niet meer weggaat. Je bent volkomen veilig.”
Ze liet een diepe zucht van verlichting los, een zucht die leek alsof er tonnen aan lood van haar kleine borstkas vielen. De monitor naast het bed, die haar hartslag en zuurstofgehalte bijhield, liet een kalmer en stabieler ritme zien. De arts, die zojuist de kamer was binnengelopen en stilletjes had meegekeken, glimlachte bemoedigend.
“Het herstel zal tijd kosten, meneer De Vries,” fluisterde de arts tegen mij terwijl hij een hand op mijn schouder legde. “Zowel fysiek van die gebroken ribben als mentaal van de langdurige toediening van die gifstoffen. Maar haar jonge lichaam is veerkrachtig. Nu het gif uit haar systeem is, zal ze snel vooruitgang boeken.”
Ik knikte, maar diep vanbinnen wist ik dat de echte strijd pas net begon. Want hoewel mijn vrouw en haar moeder achter de tralies zaten, liet de volgende angstaanjagende vraag zich niet langer ontwijken: wie in onze kennissenkring of familie wist hier nog meer van, en wie zou er wellicht nog wraak willen nemen?






