Deel 4: De Inval in Ons Huis
Binnen twintig minuten na het telefoontje van de agent stonden er twee extra politievoertuigen voor onze woning. De buurt was doodstil, op het blauwe zwaailicht na dat angstvallig over de bakstenen gevels van de rijtjeshuizen danste. Ik was met een politiewagen teruggereden naar het huis om de autorisatie te verlenen en aan te wijzen waar alles lag. Mijn dochter was achtergebleven in het ziekenhuis onder toeziend oog van een vertrouwde verpleegkundige.
De voordeur stond op een kier. De sleutels zaten nog aan de binnenzijde in het slot. Agenten in kogelvrijwesten traden voorzichtig binnen met getrokken taslampen, hoewel de lichten in de hal fel brandden. “Politie! Is hier iemand?” riep de hoofdagent met een krachtige stem die door de lege gang galmde.
Geen direct antwoord. Alleen het zachte gebrom van de koelkast in de keuken.
We liepen door naar achteren. De keuken zag er precies zo uit als op de bewakingsvideo, op één cruciaal detail na: het bruine glazen flesje op het aanrecht was verdwenen. De plek waar het had gestaan was nat, alsof iemand het in alle haast had schoongemaakt of onder de kraan had afgespoeld. Mijn vrouw stond in de woonkamer, met haar rug naar ons toe, turend uit het raam naar de donkere tuin alsof er niets aan de hand was.
“Mevrouw De Vries, draai u om en plaats uw handen zichtbaar voor u,” riep de agent resoluut terwijl hij zijn hand naar zijn dienstwapen bracht.
Langzaam draaide ze zich om. Haar gezicht was een masker van ijskoude kalmte, maar haar ogen stonden koortsachtig en wild. Er zat een vlek op haar bloes die verdacht veel weg had van een opgedroogde chemische substantie. Ze keek me aan met een blik vol pure minachting en haat, alsof ik degene was die de misdaad had begaan.
“Jij hebt mijn leven verpest,” sprak ze met een kalme, bijna fluisterende stem die doormergde van venijn. “Denk je echt dat je zomaar kunt weglopen? Denk je dat de rechter naar jou zal luisteren?”
“Waar is het flesje, Sofie?” vroeg ik, terwijl ik mijn tranen bedwong en een stap naar voren deed. “Waar is dat medicijn dat hier zojuist nog stond?”
Ze lachte schamper, een geluid dat me door merg en been ging. Ze deed haar mond open om te antwoorden, maar op dat exact moment begon haar eigen telefoon in haar jaszak hard en indringend te trillen, een oproep van een onbekend nummer dat de ijzige spanning in de kamer compleet deed exploderen...






