DEEL 11 - De vlucht door de duisternis
De roestige trein raasde met angstaanjagende snelheid door de donkere, ondergrondse buis. Het metaal kraakte en steunde in zijn voegen, en elke bocht voelde alsof het gevaarte elk moment kon ontsporen. Ik hield Noah stevig vast terwijl we op de houten vloer van de wagon zaten, onze ruggen tegen de ijzeren wand gedrukt. Professor Vance stond bij de bestuurderscabine, tevergeefs zoekend naar knoppen of hendels die allang waren verroest. „Waar gaan we heen?” schreeuwde Noah boven het geraas van de wielen uit. „Naar buiten!” riep ik terug, hoewel ik zelf net zo bang was.
Na wat een eeuw leek, begon het licht voor ons te veranderen. Van absolute duisternis naar een zwakke, grijze gloed, en toen – met een verblindende flits – schoot de trein uit de bek van een oude, dichtgegroeide tunnelwand, zo de open lucht van de haven in. De wagon rolde nog honderd meter door over het overwoekerde rangeerterrein voordat hij met een harde schok tot stilstand kwam tegen een stootblok.
We vlogen bijna naar voren door de klap, maar gelukkig raakte niemand gewond. Ik duwde de zware deur van de wagon open en liet de frisse, zoute zeelucht van de Puget Sound naar binnen stromen. We waren ontsnapt aan de metrostations, maar we bevonden ons nog steeds in de open lucht, vlakbij de dokken waar de bewakers ons net zo goed konden opwachten. „We moeten hier weg,” hijgde Vance, terwijl hij uit de trein klom en zijn bril rechtzette. „Er is een veerboot naar Bainbridge Island die over tien minuten vertrekt.
Als we die halen, zijn we uit de stad.” We renden als opgejaagde dieren over de kade, verscholen achter opgestapelde zeecontainers en kranen, tot we de veerboot zagen liggen. De loopplank werd bijna ingetrokken. Met een laatste krachtsinspanning sprongen we aan boord, net op het moment dat de motoren van de veerboot loeiden en het schip losraakte van de kade. Pas toen we de skyline van Seattle langzaam zagen kleiner worden in de mist, durfde ik weer vrij adem te halen. We hadden de stad achter ons gelaten, maar we wisten dat het echte gevecht nog moest beginnen.






