DEEL 9 — Achter de spiegel
We duwden de deur open en doken direct naar binnen, waarna we hem muisstil achter ons dichttrokken. De gang waarin we nu stonden leek in niets op de steriele, witte hallen van het ziekenhuis erboven. Dit was een industriële, futuristische bunker. De muren waren bekleed met geluidsdempende aluminium panelen en de vloer was van koud, grijs epoxy. Er hingen geen bewakingscamera’s aan het plafond, maar wel rijen dikke datakabels die langs de wanden liepen naar een centrale ruimte verderop.
“Dit is het,” fluisterde Van der Meer met een benauwde stem. “Unit 4 bestaat echt. Ze hebben dit gebouwd tijdens de grote renovatie in de jaren negentig.” We liepen op onze tenen verder door de gang. Aan weerszijden bevonden zich zware glazen deuren. Toen ik door het dikke glas naar binnen keek, sloeg de adem me in de keel. In de kamers stonden geen bedden, maar vreemde medische apparaten die leken op slaperige capsules.
Apparaten vol met blauwachtig gloeiende vloeistoffen en slangen die waren aangesloten op lege brancards. “Waar zijn de patiënten?” vroeg ik zachtjes. Van der Meer keek op een van de kleine monitoren naast een van de deuren. Zijn gezicht werd lijkbleek. “Ze zijn al verplaatst… De overplaatsing is eerder vanavond begonnen.” Woede en paniek vochten om voorrang in mijn hoofd.
Achttien jaar lang had ik hier gewerkt. Achttien jaar lang had ik gedacht dat ik mijn man verloor door een tragisch ongeval op een bouwplaats, terwijl hij hier, op nog geen honderd meter onder mijn voeten, werd vastgehouden als een pion in een ziek spel. Plotseling hoorden we aan het einde van de gang harde voetstappen naderen. “Snel, hierin!” fluisterde Van der Meer, en hij trok me mee een kleine opslagruimte in, vol met medische voorraden en reserveonderdelen.
We kropen weg achter een grote stapel kartonnen dozen. Door een kier zagen we twee mannen in zwarte beveiligingspakken langslopen. Ze droegen zware koffers bij zich. “De laatste transporten zijn afgerond,” zei de ene bewaker tegen de andere via zijn portofoon. “De hoofdfaciliteit wordt nu schoongeveegd. Geen sporen achterlaten.” Mijn hart sloeg over.
Schoongeveegd? Dat betekende dat ze alles zouden vernietigen—inclusief eventuele gevangenen die niet meer nodig waren. Wachtend tot de bewakers voorbij waren, hoorde ik opeens een geluid uit de ruimte direct naast onze opslagruimte. Een zwak, mechanisch gepiep. Net als dat tikkende geluid in de kelder, maar dan duidelijker. Ik keek naar de wand van de opslagruimte. Er zat een ventilatierooster dat uitkwam op een aangrenzende cel. Ik kroop er voorzichtig naartoe, trok mijn zaklamp te voorschijn en scheen door het rooster naar binnen.






