Het Geheim van het Ziekenhuis
News Story

Het Geheim van het Ziekenhuis

0 weergaven

DEEL 7 — Een onverwachte bondgenoot

De deur klemde even, maar werd toen met een zachte duw opengezet. Een gestalte glipte naar binnen, gehuld in een donkere regenjas. De kap was diep over het hoofd getrokken. Ik tilde de kandelaar op, klaar om toe te slaan zodra de persoon de woonkamer zou binnenstappen. “Niet doen, Frank,” klonk er een zwakke, bekende stem. De gestalte sloeg de kap achterover.

In het schijnsel van de straatverlichting zag ik een gerimpeld, bleek gezicht. Het was dokter Van der Meer. Ik liet de kandelaar zakken, maar mijn wantrouwen was groter dan ooit. “Wat doet u hier? Hoe bent u achter mijn adres gekomen?” Van der Meer sloot de deur voorzichtig achter zich en deed de grendel erop. Hij hijgde zwaar, alsof hij een marathon had gelopen.

“De personeelsadministratie heeft alle woonadressen van het personeel. En ik moest je vinden voordat De Jong dat deed.” “Waarom zou u mij helpen?” snauwde ik. “U werkte al die jaren samen met hen! U wist van dat experiment, u wist van die ondergrondse vleugel!” Van der Meer liep naar de tafel en keek naar de bouwtekening. Zijn ogen waren rood door vermoeidheid en schuldgevoel.

“Omdat ik dacht dat ik levens redde, Frank. Ze vertelden ons dat het ging om grensverleggend medisch onderzoek naar celregeneratie. Pas toen ik jouw man leerde kennen, begreep ik dat er mensen werden gebruikt als proefkonijnen.” Hij keek me aan, en voor het eerst zag ik echte angst in zijn ogen. “En vanavond zag ik hoe ver De Jong wilde gaan om de boel stil te houden.

Hij heeft Dr. Houtman opgesloten in het archief. Ze gaan de boel wissen, Frank. Alles. Tegen de ochtend is er geen bewijs meer over.” “En Thomas?” vroeg ik met een brok in mijn keel. “Leeft hij echt nog in Unit 4?” Van der Meer zweefde een tel. Hij beet op zijn lip. “Hij leefde drie weken geleden nog. Maar ze waren bezig met een ‘overplaatsing’. Naar een andere locatie, ergens in het buitenland, waar niemand hem ooit nog zou vinden.” De grond leek onder mijn voeten te weg te zakken.

“Dan moeten we nu terug,” zei ik vastberaden. “Niet morgen. Nu.” Van der Meer schudde langzaam zijn hoofd. “Met z’n tweeën komen we daar niet binnen. De beveiliging is in opperste staat van paraatheid. Ze hebben opdrachten om iedereen die te dichtbij komt te elimineren.” Ik liep naar de kast, opende de onderste la enhaalde een zware, ijzeren pijpsleutel te voorschijn—een gereedschap dat ik ooit had meegenomen van een van mijn schoonmaakklussen. “Dan gaan we niet door de voordeur,” zei ik koud. “We gaan via de plek waar niemand durft te kijken.”