DEEL 11 — De confrontatie in de gang
Thomas lag ineengedoken op de brancard. Ik rende naar binnen, sloeg mijn armen om hem heen en trok hem overeind. Hij voelde vederlicht aan, alsof hij al maanden geen fatsoenlijke maaltijd had gehad. “Kom op, Thomas. We gaan naar huis,” zei ik, terwijl ik al mijn kracht gebruikte om hem te ondersteunen. Van der Meer hield de deur open en keek angstig de gang in.
“Schiet op! Ik hoor stappen! Ze komen eraan!” We strompelden de cel uit, de gang in. Maar we waren te laat. Aan het einde van de gang verschenen drie zwaarbewapende bewakers, aangevoerd door hoofd beveiliging De Jong zelf. De Jong hield een pistool in zijn hand, en zijn gezicht stond op onweer. “Staan blijven!” brulde De Jong, terwijl hij het wapen recht op ons richtte.
“Geen stap verder, of ik schiet.” Van der Meer hield zijn handen omhoog en stapte naar voren. “De Jong, stop hiermee! Het is voorbij! Het hele project is ontdekt, we hebben alle documenten al naar buiten gestuurd!” Het was een bluf van Van der Meer, maar een briljante. De Jong verstijfde even, en een flits van paniek gleed over zijn gezicht. Hij wist dat als dit naar buiten kwam, niet alleen het ziekenhuis, maar ook hun opdrachtgevers vielen.
“Jullie gaan nergens heen,” zei De Jong met een ijselijke kalmte. Hij legde zijn vinger strakker om de trekker. “Niemand verlaat deze faciliteit levend. Dat had je moeten weten, Frank. Je had gewoon de toiletten moeten blijven dweilen.” Ik voelde Thomas sidderen naast me. Zijn hand greep krampachtig vast aan mijn jas. “Je hebt hem twintig jaar van mij afgenomen,” zei ik, en voor het eerst in mijn leven voelde ik geen angst meer, alleen maar een diepe, brandende woede.
“Je hebt mijn hele leven vernietigd.” De Jong lachte grimmig. “En nu eindigt het hier.” Hij hief zijn pistool en richtte op mijn borst. Maar voordat hij kon afdrukken, gebeurde er iets wat niemand had verwacht. Van der Meer sprong met een wanhoopskreet naar voren en beukte vol tegen De Jong aan op het moment dat het schot viel.






