DEEL 10 — De stem uit het duister
Het licht van de zaklamp schet door de spijlen van het ventilatierooster en viel op een brancard in de hoek van de kale cel. Er lag iemand op. Een gestalte, mager en gehuld in een versleten ziekenhuiskajuit. Mijn hart stond stil. “Thomas…?” fluisterde ik schor door het rooster. De gestalte op de brancard bewoog langzaam. Een hand, bleek en vol blauwe plekken, greep zich vast aan de rand van het matras.
Het hoofd draaide zich met moeite om in de richting van het licht. Een ingevallen gezicht, diepe kringen onder de ogen, maar de blik in die ogen… die blik kende ik uit duizenden. Het was Thomas. Hij tilde zijn hoofd op en keek met waterige ogen naar het rooster. Zijn lippen bewogen, maar er kwam aanvankelijk geen geluid uit. Toen hoorde ik een schorre, nauwelijks verstaanbare fluistering.
“Frank…?” De tranen brandden direct in mijn ogen. Ik drukte mijn gezicht tegen het koude metaal van het rooster. “Ik ben hier, Thomas! Ik ben hier! Ik heb je gevonden!” Thomas schudde zwakjes zijn hoofd, en angst gleed over zijn vermoeide gezicht. “Nee… je moet weg… ze komen eraan… ze weten dat je hier bent…” “Ik ga nergens heen zonder jou,” zei ik met een brok in mijn keel.
Ik keek om naar Van der Meer, die inmiddels ook bij het rooster stond en met ontzetting naar Thomas keek. “Dokter Van der Meer…?” bracht Thomas uit, toen hij de arts in het zwakke licht zag staan. “U… u hielp hen toch?” “Ik wist het niet, Thomas. Ik wist niet hoe ver ze gingen,” zei Van der Meer met een beverige stem. Hij greep meteen naar de ijzeren pijpsleutel die ik had meegenomen.
“Hier, Frank. Probeer het slot van de deur aan de andere kant te openen. Er moet een noodmechanisme zijn.” Ik sprong op, verliet de opslagruimte en rende naar de zware deur van Thomas’ cel. Er zat een elektronisch slot op, maar aan de zijkant zat een klein noodklepje dat met een simpele schroef kon worden losgedraaid. Met trillende handen zette ik de pijpsleutel op de schroef en begon te wrikken.
Het metaal kraakte. Ineens weerklonk er een harde sirene door de gangen van Unit 4. Een rood alarmlicht begon fel te knipperen. “Ongeoorloofde toegang gedetecteerd in Sector 4. Systeem wordt vergrendeld,” galmde een computerstem door de luidsprekers. Van der Meer greep me bij mijn arm. “Ze hebben ons door! De hoofdingang sluit zo!” “Nog even!” schreeuwde ik, terwijl ik met al mijn kracht aan de pijpsleutel trok.
Met een luide klap sprong het noodklepje open. Ik stak mijn hand naar binnen en greep naar de mechanische hendel. Ik trok hem naar beneden. De zware celdeur schoof met een sissend geluid open.






