Het Geheim van het Ziekenhuis
News Story

Het Geheim van het Ziekenhuis

0 weergaven

DEEL 12 — Het ultieme raadsel

Het schot galmde door de ijzeren gang en ketste met een luide knal af op de metalen wand achter ons. De kogel miste me op een haar na. In de chaos die ontstaat, vliegen Van der Meer en De Jong over de grond in een verwoede worsteling om het pistool. De bewakers achter De Jong beginnen te roepen en rennen op ons af, hun wapens heffend om te vuren. “VLUCHT!” schreeuwt Van der Meer terwijl hij met zijn laatste krachten De Jong in een houtgreep houdt.

“Pak Thomas en ren naar het pomphuis!” Ik aarzel geen seconde. Ik hijs Thomas over mijn schouder — zijn gewicht is bijna te veel voor me, maar de overlevingsdrang geeft me rekrutenkracht. Ik draai me om en sprint terug de gang in, weg bij de schoten en het geschreeuw. Achter ons hoor ik nog een tweede schot, gevolgd door een doffe klap en een ijzingwekkende stilte, maar ik durf niet achterom te kijken.

Ik ren de duisternis van de rioolbuizen in, de koude mist tegemoet, met Thomas strak tegen me aan. Na een eeuwigheid bereiken we de ijzeren deur van het pomphuis. Ik duw hem open met een trap, en we vallen samen naar voren in de frisse, regenachtige ochtendlucht van de straat. De stad begint net langzaam wakker te worden. De eerste trams rijden rammelend over de rails in de verte.

Ik leg Thomas voorzichtig op de achterbank van de geparkeerde auto die Van der Meer had achtergelaten. Hij ademt zwaar, maar hij leeft. Hij kijkt me aan met tranen in zijn ogen. “Je bent echt gekomen…” fluistert hij. “Altijd,” zeg ik, terwijl ik achter het stuur kruip en de autosleutel omdraai. We rijden weg van het ziekenhuis, weg van de nachtmerrie die achttien jaar lang mijn leven beheerste.

Maar terwijl we de stad uitrijden, zie ik in de achteruitkijkspiegel iets dat mijn bloed doet stollen. Op de passagiersstoel, tussen de ordners die ik uit het archief had meegesleurd, ligt plotseling een klein, versleten envelopje dat daar daarnet nog absoluut niet lag. Met trillende vingers pak ik het op en open het. Er zit geen brief in. Alleen een foto van mijzelf, genomen vanochtend om vijf uur, terwijl ik door de verlaten gang van het ziekenhuis rende.

En onderaan de foto staat één handgeschreven zin die al mijn hoop in één klap wegvaagt: “Denk je echt dat je al vrij bent, Frank? De echte bewaker was niet De Jong... het was jij.”