DEEL 5 — Het net sluit zich
De voetstappen op de stalen trap werden luider. Het klonk niet als één persoon; het waren er meerdere, zware laarzen die tegen het metaal hamerden. “Schiet op, Frank!” Houtman duwde me met verrassende kracht naar de achterkant van de ruimte. “Die nooduitgang komt uit in de steeg achter het mortuarium. Daar staan geen camera’s!” “En u?” vroeg ik, terwijl ik de dikke map met documenten stevig tegen mijn borst klemde.
“Wat gebeurt er met u?” Houtman glimlachte somber. “Mijn tijd is twintig jaar geleden al ingegaan. Jij hebt een kans om de waarheid naar buiten te brengen. Ga!” Met een luide knal sloeg de zware deur van het archief open. Het felle licht van een zaklamp sneed door de duisternis. “Handen omhoog! Blijf staan waar je bent!” schreeuwde de stem van hoofd beveiliging De Jong.
Ik aarzelde geen seconde meer. Ik greep de hendel van de verborgen nooddeur in de hoek, duwde er met al mijn gewicht tegenaan en viel naar voren in de koude, natte nachtlucht. Achter me hoorde ik het geschreeuw van De Jong en de bevelen om het vuur te openen. Een doffe klap echode door de steeg—een kogel die in de bakstenen muur naast mijn hoofd spatte.
Ik rende. Ik rende harder dan ik in achttien jaar had gedaan. De pijn in mijn knieën en longen negeerde ik volledig. De adrenaline gierde door mijn aderen. Na honderd meter rennen in het pikkedonker glibberde ik over de natte kasseien van de steeg en belandde op de openbare weg. Een passerende taxi remde piepend en schreeuwend voor mijn neus. De chauffeur toeterde woedend en stak zijn hoofd uit het raam.
“Ben je gek geworden, man? Je steekt zomaar over!” Ik trok het portier open, sprong naar binnen en gooide de deur dicht. “Rijd!” schreeuwde ik, terwijl ik een handvol bankbiljetten uit mijn zak trok en op de middenconsole smeet. “Rijd weg, zo snel als je kunt! Naar het treinstation!” De chauffeur keeter me in de achteruitkijkspiegel aan, zag mijn lijkbleke gezicht en de modder op mijn kleren, en trapte zonder nog iets te vragen het gaspedaal in.
We schoten naar voren. Terwijl de neonlichten van de stad aan het raam voorbijflitsten, opende ik met bevende vingers de map die ik had meegenomen. Het papier was koud, maar de informatie erop brandde in mijn ogen. Op de eerste pagina stond een lijst van namen. Patiënten die tussen 2002 en 2004 waren overleden in het ziekenhuis. En daar, ergens in het midden van de lijst, stond de naam die ik vreesde en hoopte tegelijk te zien: Thomas Keller — Oorzaak: Hartstilstand tijdens ingreep. Maar onderaan die pagina stond een handgeschreven notitie van Thomas zelf, gekrabbeld in rode inkt: Als ze dit lezen, ben ik niet dood. Ze hebben me overgebracht naar Unit 4.






