DEEL 6 — De schuilplaats in de buitenwijken
De trein reed langzaam het oude station binnen. Het was inmiddels drie uur ’s nachts. De stad lag in een diepe, koude slaap, maar in mijn hoofd raasde een orkaan van gedachten. Unit 4. Wat was Unit 4? Het stond op geen enkele plattegrond van het ziekenhuis die ik kende. Ik stapte uit in een troosteloze buitenwijk en liep naar een klein, vervallen appartement op de vierde verdieping van een flatgebouw.
Het was de plek waar ik al die jaren had gewoond sinds Thomas’ verdwijning—een eenzaam hol vol herinneringen en stilte. Ik deed het licht aan en gooide de map op de keukentafel. De ordners en papieren vulden het kleine tafeltje. Ik zocht koortsachtig naar meer documenten over Unit 4. Na een uur bladeren vond ik het. Een oude bouwtekening, die kennelijk afkomstig was van het oorspronkelijke architectenbureau van het ziekenhuis uit de jaren zeventig.
Er was met dikke rode stift een vleugel bijgetekend die officieel nooit had mogen bestaan: een ondergrondse uitbreiding onder de psychiatrische afdeling, direct verbonden met het waterzuiveringssysteem van de stad. Dat verklaarde waarom niemand het kon vinden. Het bevond zich buiten de reguliere bouwstructuur en werd gevoed via de oude nutsleidingen.
Maar terwijl ik de tekening bestudeerde, hoorde ik opeens een zacht geluid bij de voordeur. Tik. Tik. Geen klop op de deur. Het klonk alsof iemand met een metalen voorwerp voorzichtig aan het slot friemelde. Mijn adem stokte. Ze hadden me gevonden. Hoe in vredesnaam hadden ze mijn adres zo snel achterhaald? Ik stond muisstil, mijn hand omklemd rond een zware metalen kandelaar op de kast. De deurklink bewoog langzaam naar beneden. Het metaal kraakte in de stille gang.






