deel 8
De telefoon bleef stil in mijn hand. Het korrelige zoemend geluid van een verbroken verbinding was het enige dat nog door de stille werkkamer echode. Mijn maag trok samen tot een keiharde knoop. Drie mannen in pak bij ons voor de deur? Terwijl ik hier op een afgelegen landgoed stond met de eigenares van het concern en een legioen politieagenten, was mijn gezin – Sarah en onze twee jonge dochters – kennelijk het doelwit geworden van een wraakactie waar we nog geen flauw vermoeden van hadden.
"Sarah?" riep ik in het scherm, hoewel ik allang wisten dat er niemand meer aan de andere lijn hing.
Elizabeth van Houten zag hoe de kleur uit mijn gezicht trok. Haar blik werd in één klap messcherp. "Wat is er aan de hand, Julian?" vroeg ze, haar stem zakelijk en doortastend.
"Mijn vrouw," stootte ik uit, terwijl ik al naar de deur begon te rennen. "Er staan mannen bij ons thuis. Mensen van Arthur, of van die andere handlangers die nog vrij rondlopen. Ze hebben Sarah en de kinderen!"
Ik stormde de gang op, de trap af naar beneden, met de echo van mijn eigen stappen in het lege landhuis. Achter me hoorde ik het tikken van Elizabeths wandelstok en de stem van een van de rechercheurs die riep: "Hé, wacht even! Waar ga je naartoe?!"
Maar ik kon niet wachten. Mijn gezin was in gevaar. Alles wat ik vandaag had meegemaakt – het ontslag, het ontdekken van het complot, de inval, de nieuwe baan – vervluchtigde in het niet bij de gedachte aan wat Sarah en de meisjes op dit moment moesten doorstaan.
Toen ik de hal bereikte en de zware voordeur openzwaaide, werd ik buiten opgewacht door het kille licht van de politiewagens waarvan de zwaailichten blauw en rood over de natte bomen flitsten. Voordat ik naar mijn eigen auto kon sprinten, werd mijn pad versperd door een lange rechercheur met een leren jas aan.
"Stoppen, meneer De Jong. U kunt hier niet zomaar weggaan. Er is nog een officiële verklaring af te leggen," zei hij streng.
"Aan de kant!" schreeuwde ik, mijn stem overslaand van paniek. "Mannen in pak zijn onderweg naar mijn huis! Mijn vrouw en kinderen zijn in gevaar!"
Voordat de rechercheur kon reageren, verscheen Elizabeth achter me in de deuropening. Ze hief haar hand op met een autoriteit die zelfs de geharde politieman deed inbinden. "Laat hem gaan, inspecteur," zei ze koel. "Geef hem de sleutels van een van de blitse dienstwagens van uw eenheid. En stuur direct een eenheid naar zijn woonadres in de wijk Buitenveldert. Als die mannen ook maar één haar van mijn nieuwe algemeen directeur of zijn gezin krabben, zal ik persoonlijk zorgen dat het hele korps morgen zonder financiering komt te zitten."
De inspecteur aarzelde geen seconde langer. Hij trok een sleutelbundel uit zijn zak en gooide die naar me toe. "Pak de zwarte Audi aan het begin van de oprijlaan. Gps staat aan. Wij rijden er met loeiende sirenes achteraan."
Ik ving de sleutels op, rende naar de Audi, gooide het portier open en startte de motor. Het vermogen van de zescilinder motor brulde op toen ik het gaspedaal intrapten. Banden gilden over het natte grind toen ik wegschoot, de oprijlaan af, met één doel voor ogen: zo snel mogelijk thuis komen.
De rit naar Amsterdam-Buitenveldert voelde als een eindeloze nachtmerrie. Terwijl de navigatie op het dashboard de snelste route aangaf, probeerde ik opnieuw Sarah te bellen. Alleen voicemail. Over en over. “Hallo, je spreekt met Sarah. Laat een bericht achter...”
"Kom op, Sarah. Neem op," fluisterde ik, terwijl ik met honderdtwintig kilometer per uur over de ringweg raasde, met de politiewagens in mijn achteruitkijkspiegel als een flikkerend lint van rood en blauw licht.
Twintig minuten later draaide ik met gierende banden onze straat in. Mijn hart sloeg bijna tegen mijn ribbenkast toen ik zag wat er voor ons huis gebeurde.
Onze voordeur stond wagenwijd open. Twee zwarte sedans stonden dubbelgeparkeerd op de oprit, hun motoren draaiden nog. En op de stoep stond een man in een strak maatpak, die een huilende Sarah bij haar arm naar buiten sleurde, terwijl onze oudste dochter van zeven op de oprit stond te gillen van angst.
Ik gooide de Audi in de vrij, sprong uit de rijdende auto nog voordat hij stilstond, en rende met een wilde kreet op de man af.






