Zeker. Ik ga verder in het Nederlands, met dezelfde dramatische, filmische stijl als Deel 1. Ik houd de spanning geleidelijk opbouwend, geef elk deel een sterke titel en eindig ieder deel met een cliffhanger.
DEEL 2 — “Dat is niet van u.”
“Dat is niet van u.”
Maya's stem was niet hard.
Ze hoefde ook niet hard te spreken.
De woorden sneden door de cabine alsof iemand plotseling alle achtergrondgeluiden had uitgeschakeld.
De vrouw in 11A verstijfde.
Haar vingers, die tot dan toe nonchalant op haar leren tas hadden gelegen, klemden zich er ineens omheen.
Ik keek naar mijn dochter.
“Maya?”
Ze keek niet naar mij.
Ze wees naar iets onder de stoel.
“Daar.”
De vrouw schoof onmiddellijk haar jas naar voren.
“Dit kind weet niet waar ze het over heeft.”
Een man aan de overkant van het gangpad boog zich iets voorover.
“Wat heeft ze gezien?”
De vrouw keek hem woedend aan.
“Bemoei je met je eigen zaken.”
Ik voelde mijn hartslag versnellen.
“Maya, wat ligt daar?”
Mijn dochter slikte.
“De tas.”
Welke tas?
Ik stond op.
Op datzelfde moment kwam de stewardess aangesneld.
“Mevrouw, gaat alles goed?”
Maya wees opnieuw.
“Die tas hoort niet bij haar.”
De vrouw lachte zenuwachtig.
“Natuurlijk hoort die bij mij.”
“Maar u zei net dat die van u was,” zei Maya.
“Ja.”
“Maar u hebt hem niet meegenomen toen u ging zitten.”
De vrouw werd stil.
Ik keek naar de tas.
Een enorme zwarte leren tas die ik eerder nauwelijks had opgemerkt.
“Wat bedoel je?” vroeg ik.
Maya wees naar de vloer.
“Toen wij aankwamen, lag hij al onder de stoel. Zij kwam zonder tas binnen.”
De vrouw schudde haar hoofd.
“Dat is belachelijk.”
De stewardess keek onzeker van Maya naar de vrouw.
“Mevrouw, mag ik u vragen de tas te openen?”
“Nee.”
Het antwoord kwam onmiddellijk.
Te snel.
Een paar passagiers begonnen te fluisteren.
De vrouw stond op.
“Ik hoef mijn persoonlijke bezittingen niet voor iedereen open te maken.”
“Dat hoeft ook niet,” zei de stewardess rustig. “Maar als er onduidelijkheid bestaat over een onbeheerd voorwerp aan boord, moeten we veiligheidsprocedures volgen.”
“Er is niets onbeheerds aan.”
Ze pakte de tas vast.
Op dat moment hoorde ik Maya fluisteren:
“Niet aanraken.”
Ik draaide me naar haar toe.
“Waarom?”
Ze keek naar de tas.
“Omdat mama zei dat ik nooit iets mag aanraken wat ik niet ken.”
Mijn maag trok samen.
“Welke mama?”
Maya keek me recht aan.
“Jij.”
Ik glimlachte zwakjes.
“Ja. Dat klopt.”
Maar Maya schudde haar hoofd.
“Nee, mam.”
Ze keek naar de vrouw.
“Niet jij.”
De vrouw werd lijkbleek.
De stewardess zag het ook.
“Mevrouw, blijft u alstublieft zitten.”
De vrouw liet de tas los.
Voor het eerst sinds we haar hadden ontmoet, zag ze er niet arrogant uit.
Ze zag er bang uit.
De stewardess riep een collega.
Binnen enkele seconden stonden twee bemanningsleden naast ons.
De tas werd voorzichtig geïsoleerd.
Een man op de achterste rij fluisterde:
“Is dat een bom?”
Niemand antwoordde.
Mijn baby begon te huilen.
Ik pakte Leo steviger vast.
Maya kwam naast me staan.
Toen fluisterde ze:
“Het is geen bom.”
Ik keek haar verbaasd aan.
“Hoe weet je dat?”
Ze wees naar de tas.
“Daarom.”
“Waarom?”
“Omdat ik weet wat erin zit.”
Ik voelde mijn mond droog worden.
“Wat zit erin?”
Maya keek naar mij.
“Een telefoon.”
De vrouw in 11A sloot haar ogen.
En toen zei Maya iets wat mijn bloed volledig deed verstijven.
“En op die telefoon staat een foto van Leo.”






