Hoofdstuk 7: Het spoor naar Rotterdam
Rechercheur de Jong haalde een plastic bewijszakje tevoorschijn en legde het op het nachtkastje naast mijn ziekenhuisbed. In het zakje lag een dun strookje papier. Op het papier stond met haastige, maar onmiskenbaar bekende letters geschreven:
‘Eleanor, dit is nog niet voorbij. Je hebt me alles afgenomen: mijn man, mijn zoon en mijn geld. Ik kom terug om te halen wat van mij is.’
Een ijskoude rilling trok over mijn rug. Zelfs nadat ze ternauwernood aan de vlammenzee was ontmaagd, bleef Charlotte geobsedeerd door haar wraakzuchtige waanzin.
"We hebben een landelijk opsporingsbevel uitgevaardigd," vervolgde de rechercheur terughoudend. "Maar gezien haar ervaring met het aannemen van valse identiteiten in het verleden, zal het niet eenvoudig zijn om haar op te sporen. Wat kunt u ons vertellen over haar netwerk in Rotterdam?"
Ik keek naar Kees, die zijn hoofd schudde. "Mijn vader... Henrik... ging vroeger vaak naar de havens van Rotterdam voor zijn werk," herinnerde ik me langzaam. "Hij zei altijd dat hij afspraken had met logistieke bedrijven. Maar als Charlotte daar nu haar schuilplaats heeft gezocht, moet ze hulp hebben gehad van iemand anders."
De rechercheur knikte en maakte aantekeningen. "We houden u en uw zoon onder politiebescherming. Er staat een agent voor de deur van deze ziekenhuisafdeling."
Nadat de rechercheur de kamer had verlaten, bleef er een zware stilte achter. Kees klemde mijn hand nog vaster.
"Mam, hoe kon papa dit doen?" vroeg hij met een gebroken stem. "Hoe kon hij zo’n dubbelleven leiden? Drieënveertig jaar lang heeft hij tegen ons gelogen."
Ik keek uit het raam van de ziekenhuiskamer naar de grauwe ochtendlucht boven Gouda. Mijn hart voelde zwaar van verdriet, maar de woede over het verraad was plaatsgemaakt voor een diepe drang naar antwoorden.
"Je vader was een complexe man, Kees," zei ik zacht. "Hij hield van mij, daar ben ik van overtuigd. Maar Charlotte had een vreemde, toxische grip op hem. Ze kon mensen manipuleren en hen laten geloven dat zij het slachtoffer was. Henrik heeft een verschrikkelijke fout gemaakt door mee te gaan in haar leugens, maar hij wilde op het laatst de juiste keuze maken. Dat heeft hem zijn leven gekost."
Twee dagen later mochten Kees en ik het ziekenhuis verlaten. Mijn huis in het dorp bij Gouda voelde niet langer als een veilige haven. De houten wand in Kees' oude slaapkamer was gesloopt, en overal in huis leken de herinneringen aan Henrik te zijn vergiftigd door de schaduw van Charlotte.
De politie hield de wacht in een onopvallende auto voor ons hek, maar ik wist dat we niet eeuwig opgesloten konden blijven zitten in angst.
Die middag, terwijl Kees sliep op de bank in de woonkamer, ging ik naar de studeerkamer van Henrik. De kamer was sinds zijn dood in 1998 vrijwel onaangetast gebleven. Ik had zijn oude houten bureau altijd gerespecteerd en zijn persoonlijke documenten nooit doorgespit. Maar nu was het tijd om elk geheim op te graven.
Ik trok de lades van het bureau open. Belasting papieren, oude rekeningen, garantiebewijzen... alles leek volstrekt normaal. Maar toen ik de onderste, diepe lade er helemaal uit trok, zag ik dat de bodem van de kast vreemd verhoogd was.
Met een zakmes dat op het bureau lag, wipte ik de multiplex plaat aan de onderkant omhoog.
Daaronder lag een klein, zwart leren notitieboekje en een sleutel van een kluisje.
Ik sloeg het notitieboekje open. Het was het geheime dagboek van Henrik, bijgehouden van 1993 tot de dag van zijn dood in oktober 1998.
Mijn ogen vlogen over zijn handschrift.
‘12 juni 1995: Charlotte dreigt alles te onthullen als ik haar geen geld geef. Ze heeft schulden bij criminelen in de Rotterdamse haven. Als Eleanor hierachter komt, is ons gezin verwoest.’
‘4 november 1996: Ik heb de archiefruimte onder de Kosterkapel voor haar ingericht. Ze weigert het land te verlaten. Ze eist dat ik Kees aan haar geef. Ze zegt dat ze hem mee wil nemen naar Zuid-Amerika.’
En de laatste bladzijde, gedateerd 13 oktober 1998—één dag voor zijn dood:
‘Ik kan het niet meer. Charlotte is gek geworden. Ze heeft een man genaamd Karel ontmoet, een kade-opzichter in de Waalhaven. Ze plannen een overval op de kluis van een rederij. Ik ga morgen naar de kapel om haar een halt toe te roepen. Als ik niet terugkom, ligt de kluissleutel in mijn bureau. Kluis 408, Hollandsche Bank Rotterdam.’
Mijn adem stokte. Karel. Een kade-opzichter in de Waalhaven van Rotterdam.
Dat was de ontbrekende schakel. Charlotte was niet alleen. Viktor was slechts een loopjongen geweest; de echte man achter haar logistieke netwerk was deze Karel.
Ik hoorde de voordeur beneden zachtjes kraken.
Was Kees wakker geworden?
"Kees?" riep ik vanuit de studeerkamer.
Geen antwoord.
Vervolgens klonk het geluid van glazen op de benedenverdieping die met een luid gekletter aan diggelen vielen, gevolgd door een doffe klap en het geluid van een zwaar lichaam dat op de vloer stortte.
Ik rende naar de overloop en keek over de balustrade naar beneden.
De voordeur stond wagenwijd open. De politieagent die buiten op de oprit had moeten staan, lag bewegingloos in de gang. En midden in de woonkamer stond een man met een matrozenpet en een zwaar, tatoeëerd gezicht.
In zijn hand hield hij een houten knuppel. Kees lag voor zijn voeten op de grond, buiten bewustzijn.
De man keek omhoog naar mij en grinnikte wreed.
"Mevrouw van der Meer? Karel laat u de groeten doen. Charlotte wil haar kluissleutel terug."






