Hoofdstuk 3: De schim in het archief
Mijn hart hamderde als een wilde in mijn borstkas. De man zette met trage, beredeneerde stappen koers naar de leestafel waar ik zat. De jonge archivar, die het gevaar niet opmerkte, liep glimlachend op de vreemdeling af. "Goedemiddag meneer, kan ik u..."
Voordat de archivar zijn zin kon afmaken, duwde de man hem met een brute haal van zich af. De jonge man struikelde en viel hard achter de balie, waarbij een stapel papieren en een bureaulamp met veel kabaal op de vloer smeten.
"De sleutel, Eleanor," sprak de man met een hese, raspende stem die me door merg en been ging. "Geef me de sleutel van kamer 09."
Hij kende mijn naam.
Ik bedacht me geen seconde. Ondanks mijn pijnlijke gewrichten graaide ik het geboortebericht en het eigendomsregister bij elkaar, klemde ze tegen mijn borst en zette het op een lopen richting de nooduitgang aan de achterzijde van het pand.
"Blijf staan!" schreeuwde de man achter me.
Het geluid van zware voetstappen weergalmde door de hoge ruimtes van het archief. Ik duwde met mijn volle gewicht tegen de rode balk van de nooddeur. Het alarm begon oorverdovend te loeien, een schril en blikkering geluid dat de stilte van de middag verscheurde. Ik stormde de donkere steeg achter de bibliotheek in, waar de regen ongenadig op de stenen trottoirs beukte.
Ik rende zo hard als mijn oude benen me konden dragen. Mijn ademhaling klonk als een raspend gegrom in mijn keel. Aan het einde van de steeg sloeg ik rechtsaf, weg van de plek waar ik mijn Volvo had geparkeerd. Ik wist dat de zwarte sedan daar op me wachtte, dus vluchten met mijn eigen auto was geen optie meer. Ik moest opgaan in de smalle, kronkelende straatjes van de oude binnenstad van Gouda.
Na een paar honderd meter dook ik een overdekte steeg in achter een oude kaasboerderij en verschool me achter een rijtje grote afvalcontainers. Ik klemde mijn hand op mijn mond om het geluid van mijn zware ademhaling te onderdrukken. Een seconde later rende de man voorbij. In het flikkerende licht van een straatlantaarn opbood hij zijn profiel: een diep litteken liep vanaf zijn linkerwang tot aan zijn hals. Het was een gezicht dat ik nog nooit eerder had gezien, maar de meedogenloosheid in zijn ogen was onmiskenbaar.
Toen de voetstappen in de verte vervaagden, zakte ik tegen de koude, natte muur naar beneden. De kou drong door mijn kleren heen, maar de pijn in mijn ziel was vele malen erger.
Kees was de zoon van Charlotte.
Drieënveertig jaar lang had ik hem verzorgd, zijn koortsaanvallen genezen, zijn eerste stappen gevierd en hem naar de universiteit gebracht. Ik had hem liefgehad met elke vezel van mijn wezen. En al die tijd was hij de vrucht van een geheim verraad tussen mijn man Henrik en mijn eigen tweelingzus. Had Henrik mij ooit echt liefgehad? Of was ik slechts een handige dekmantel geweest om hun schandelijk geheim voor de buitenwereld verborgen te houden?
En waarom was Charlotte in 1995 verdwenen? Was ze daadwerkelijk dood, of was haar verdwijning weer een leugen in dit web van misleiding?
Ik haalde mijn mobiele telefoon tevoorschijn met trillende vingers. Ik toetste het nummer van Kees in. De telefoon ging over. Één keer. Twee keer. Drie keer.
"Met Kees," klonk zijn stem ten slotte. Zijn stem klink dof, gebroken en doordrenkt met alcohol of uitputting.
"Kees! Gottijdelijk, je neemt op!" riep ik uit, terwjl de tranen zich een weg baanden door de regen op mijn wangen. "Luister naar me, jongen. Je bent in gevaar! Waar ben je nu?"
Er viel een lange, ijskoude stilte aan de andere kant van de lijn.
"Waar ik ben?" vroeg Kees met een bitter lachje. "Ik ben op de enige plek waar de leugens eindelijk ophouden, mam... als ik je nog zo mag noemen. Ik sta voor het oude huis in Utrecht. Ik heb de brieven gelezen. Allemaal."
"Kees, alsjeblieft, luister naar me!" smeekte ik. "Het handschrift op die brieven... het is niet van mij! Het is van Charlotte!"
"Kap ermee!" brulde Kees door de telefoon. "Probeer de schuld niet op een dode te schuiven! Het staat er zwart op wit! Jij hebt papa gedwongen om haar weg te sturen! En toen hij achter de waarheid kwam over de brief van 1998, heb jij zijn auto..." Zijn stem stokte. Hij snikte hevig. "Jij hebt hem vermoord, nietwaar? Omdat hij me mee wilde nemen bij jou vandaan!"
"Nee! Kees, nee! Dat is niet waar!" schreeuwde ik in het telefoonpijpje, maar de lijn was al dood.
Hij had opgehangen.
Ik staarde naar het verlichte schermpje van mijn telefoon. De tijd tikte onverbiddelijk voort. Het was ondertussen vier uur in de middag. Over acht uur zou het middernacht zijn. De man met het litteken en de stem aan de telefoon wilden de sleutel van Kamer 09 in de Kosterkapel. Ze hielden Kees ongetwijfeld al in de gaten, of erger nog: ze gebruikten hem als aas om de geheimen van het archief onder de kapel definitief uit te wissen.
Ik richtte me moeizaam op. Als ik Kees wilde redden en de waarheid wilde ontrafelen over wat er in 1998 met Henrik was gebeurd, kon ik niet wachten tot middernacht. Ik moest nu naar de Kosterkapel.
Ik sloop de steeg uit en liep via een omweg naar het busstation van Gouda. Ik stapte in een streekbus die in de richting van de polderdorpen reed. Terwijl de bus zich een weg baonde door het grauwe, doordrenkte Hollandse landschap, staarde ik naar mijn eigen spiegelbeeld in het beslagen raam van de bus.
Mijn gezicht... het was exact het gezicht van Charlotte. Als iemand van buitenaf naar mij keek, zagen ze een zeventigjarige vrouw. Maar zagen ze Eleanor... of zagen ze de schim van Charlotte?
Na een rit van dertig minuten stapte ik uit bij een verlaten kruispunt. De regen was veranderd in een dichte, kille mist die laag over de drassige weilanden hing. In de verte, verscholen tussen een groep metershoge, dode wilgen, rees de zwarte silhouet van de Kosterkapel op uit de nevel.
De kapel zag er vervallen en spookachtig uit. De spitse toren stond scheef en het dak was op meerdere plaatsen ingestort.
Met ingehouden adem stapte ik van de geasfalteerde weg af en liep het drassige grasland op. Zodra ik de zware, eikenhouten deur van de kapel naderde, zag ik dat het slot geforceerd was. De deur stond op een kier van een paar centimeter.
Uit het duister van de kapel klonk een zacht, regelmatig geluid.
Het was het geluid van iemand die zachtjes zat te huilen. En een mechanisch getik... tik... tak... tik... tak...






