Hoofdstuk 10: De chantage in de kluisruimte
Het rode zwaailicht van het bankalarm wierp een angstaanjagende, bloedrode gloed over de stalen kluisdeuren. Mijn hart leek stil te staan toen ik Kees zag. Zijn ogen stonden dof van de pijn en de angst, zijn armen waren achter zijn rug gebonden met dikke plastic tiewraps. Charlotte klemde het zilveren pistool strak tegen zijn slaap.
Achter haar stond Karel, die de gewonde bankmedewerker op de grond gedrukt hield met een pistool op zijn rug gericht.
"Laat hem gaan, Charlotte!" schreeuwde ik vanuit het spreekkamertje. Mijn stem sloeg over van emotie. "Hij heeft hier niets mee te maken! De strijd gaat tussen jou en mij!"
"Hij heeft er ALLES mee te maken!" krijsche Charlotte terug. Haar stem klonk hees en vol waanzin. "Hij is MIJN zoon! Mijn bloed! En jij hebt hem dertig jaar lang van me gestolen! Jij hebt hem laten geloven dat jij zijn moeder bent!"
Kees keek door het raam van het kamertje recht in mijn ogen. Ondanks de loop van het pistool tegen zijn hoofd, schudde hij langzaam zijn hoofd.
"Zij is mijn moeder niet..." bracht Kees er met moeite uit, terwjl hij spuugde naar de grond. "Jij bent een monster, Charlotte. Eleanor is de enige moeder die ik ooit heb gekend."
Charlotte’s gezicht vertrok van een afschuwelijke wrok. Ze sloeg met de kolf van het pistool hard tegen de zijkant van Kees' hoofd. Kees slaakte een kreet van pijn en zakte door zijn knieën, maar Charlotte trok hem wreed weer omhoog aan zijn haren.
"Hou je mond, ondankbaar kreng!" schreeuwde ze. Daarna richtte ze haar blik weer op mij. "Eleanor! Je hebt drie seconden! Leg die cassettebandjes en de Panamese documenten in een tas en schuif ze naar buiten. Anders schiet ik hem neer. Één... twee..."
"STOP! Ik doe het!" riep ik wanhopig.
Ik graaide de documenten en de cassettebandjes van de tafel en stopte ze in de stalen cassette. Ik opende de deur van het spreekkamertje en stapte langzaam naar buiten, de stalen cassette met twee handen voor me uit houdend.
"Leg de doos op de grond en schuif hem hierheen," snauwde Karel, die zijn pistool nu op mij richtte.
Ik keek strak naar Charlotte. "Als ik je deze doos geef, laat je Kees gaan. Dat was de afspraak."
"Schuif die doos, oude heks!" brulde Karel ongeduldig.
Ik bukte me langzaam en schoof de zware stalen cassette over de gladde marmeren vloer. De doos gleed met een schurend geluid naar de voeten van Karel.
Karel bukte zich om de doos op te pakken.
Op dat exacte moment gebeurde er iets wat niemand had verwacht.
Kees, die door Charlotte's greep leek te verslappen, verzamelde al zijn overgebleven krachten en gooide zijn hoofd met een brute achterwaartse beweging recht in het gezicht van Charlotte.
KNAK!
Charlotte’s neus brak met een luid geluid. Ze slaakte een schriellijke kreet van pijn en liet Kees los terwjl het bloed uit haar neus spoot. Haar grip op het pistool verslapte.
"MAM, NU!" schreeuwde Kees terwjl hij zichzelf naar voren wierp op de grond.
Ik bedacht me geen seconde. Ik dook naar voren en greep de zware stalen cassette die voor Karel’s voeten lag, en ramde hem met volle kracht tegen Karel’s scheenbeen.
Karel schreeuwde het uit en verloor zijn evenwicht. Zijn pistool ging af—BANG!—en de kogel ketste met een regen van vonken af op het stalen plafond van de kluisruimte.
In de chaos die volgde, pakte ik de stalen cassette en sloeg ermee recht in het gezicht van Karel toen hij voorover viel. Hij zakte bewusteloos in elkaar op de marmeren vloer.
Charlotte, fel bloedend en buizend van woede, graaide op de grond naar haar gevallen pistool.
"Verdomde heks!" gilde ze.
Ze kreeg het pistool te pakken en richtte het recht op mijn borst.
Maar voordat ze de trekker kon overhalen, weergalmden er zware voetstappen op de trap van de kluisruimte. Een peloton van de zwaarbewapende politie-eenheid (DSI) stormde met getrokken schilden en laserrichten de kluisruimte binnen.
"POLITIE! LAAT HET WAPEN VALLEN! NU!" schreeuwde een stem door een megagoon.
Tientallen rode laserpuntjes verschenen op de borst en het gezicht van Charlotte.
Charlotte verstijfde. Ze keek om zich heen, gevangen tussen de zwaarbewapende agenten, haar bewusteloze handlanger op de grond, en mij en Kees die elkaar vasthielden bij de spreekkamer.
Een wrede, wanhopige glimlach verscheen op haar gezicht.
"Jullie zullen me nooit opsluiten..." fluisterde ze.
In plaats van het pistool te laten vallen, richtte ze de loop langzaam op haar eigen slaap.
"CHARLOTTE, NEE!" schreeuwde ik.
BANG!
Het geluid van het schot echoëde oorverdovend door de ondergrondse ruimte. Charlotte zakte als een lege zak in elkaar op de koude marmeren vloer.
Stilte viel over de kluisruimte. Alleen het mechanische rood flikkerende licht van het alarm ging door.
Ik viel op mijn knieën naast Kees en klemde hem stevig tegen me aan. We huilden beiden onbeheersbaar, terwjl de agenten naar voren stormden om de situatie veilig te stellen.
Het was voorbij. Charlotte was dood.
Dacht ik.
Drie uur later, in het hoofdbureau van politie in Rotterdam, zat ik tegenover Rechercheur de Jong. Kees lag in de kamer daarnaast te rusten na behandeling van zijn verwondingen.
Op de tafel tussen ons lag de cassetteband uit kluis 408.
"Mevrouw van der Meer," zei de rechercheur met een diepe rimpel op zijn voorhoofd. "We hebben de inhoud van het bandje beluisterd dat u uit de kluis heeft gehaald."
Hij zette een recorder aan en drukte op play.
De stem van mijn overleden man Henrik klonk door de luidspreker, kraakkerig en emotioneel:
‘Als iemand dit hoort... betekent het dat ik er niet meer ben. Ik moet de waarheid opbiechten over de nacht van 1983. Kees is níet het kind van Charlotte. Charlotte heeft gelogen...’
Mijn adem stokte.
‘Charlotte kon nooit kinderen krijgen,’ vervolgde Henrik’s stem. ‘Kees is de biologische zoon van Eleanor en mij. Charlotte heeft de geboorteakte in 1983 vervalst om mij te chanteren en het kind op haar naam te krijgen, zodat ze geld van onze familie kon eisen...’
Ik staarde in ademloze verbijstering naar de recorder.
Kees... was wel mijn biologische zoon!
Maar de stem van Henrik op de band ging verder, en wat hij daarna zei, deed mijn bloed definitief stollen:
‘Maar het ergste geheim is... Charlotte had een drieling. Er was nog een zus...’






