Hoofdstuk 6: Het laaiende vuur van de kapel
De rook verzamelde zich razendsnel onder het houten gewelf van het kapeldak. Ik beukte met mijn blote handen tegen de zware eikenhouten deur, maar het verroeste grendelslot aan de buitenkant gaf geen millimeter mee. Mijn longen brandden van de bijtende rook. Kees lag hoestend en naar adem snakkend op de stenen vloer naast me, zijn krachten weer snel afnemend door de combinatie van de rook en het gif.
"Mam..." hoestte Kees, zijn stem nauwelijks hoorbaar boven het geknetter van de vlammen die uit het trapgat omhoog sloegen. "Laat me... laat me achter. Red jezelf..."
"Nooit!" schreeuwde ik fel. "Jij bent mijn zoon! Hoor je me? Het maakt me niet uit wie je gedragen heeft, jij bent míjn kind!"
Uit de dichte rookgordijn bij het altaar dook plotseling een schim op. Charlotte. Haar gezicht was zwart van het roet, haar ogen wild en vol waanzin. Ze hield het pistool met twee handen vast, maar de rook deed haar hevig hoesten, waardoor haar schot trilde.
"Jullie gaan niet weg!" gilde ze. "Als ik niets krijg, krijgt niemand iets!"
Ze haalde de trekker over.
BANG!
De kogel boorde zich in het houtwerk vlak boven mijn schouder. De spinters vlogen in het rond. Voordat ze opnieuw kon vuren, stortte een verbrand deel van het houten gewelf boven het altaar met een luid gekraak in. Een regen van vonken en brandende balken neerslag tussen ons en Charlotte. Ze slaakte een gedingde kreet toen een brandende balk haar de weg versperde en haar achterover deed vallen.
Ik keek paniekerig om me heen. De hoofduitgang was geblokkeerd, het altaar stond in brand. Er was maar één mogelijke uitweg: het grote, verroeste glas-in-loodraam aan de zijkant van de kapel. De onderste ruiten waren al gebroken, maar het ijzeren vlechtwerk hield de opening nauw.
Ik graaide een zware, ijzeren kandelaar op die op de grond lag en rande naar het raam. Met al mijn overgebleven krachten sloeg ik het ijzeren frame kapot. Het glas gerinkelde hard op de stenen buiten.
"Kees, kom op!" riep ik.
Ik sleepte Kees overeind en hielp hem door de opening van het raam. De scherpe randen van het gebroken glas sneden in mijn handen en kleding, maar ik voelde de pijn niet. Met een laatste, wanhopige duw werp ik Kees naar buiten, het natte, zachte gras van de polder op.
Net toen ik mezelf door het raamkozijn wilde trekken, greep een gespierde hand mijn enkel vast.
Het was Viktor. Zijn gezicht was deels verbrand en zijn ogen straalden een wrede razernij uit. "Jij gaat nergens heen, oude vrouw!" snauwde hij, terwjl hij me met brute kracht terug het brandende pand in trok.
Ik viel hard op de stenen vloer. De hitte was onverdraaglijk geworden. De rook benam me volledig de adem. Viktor boog zich over me heen met een mes in zijn hand.
"Einde verhaal," siste hij.
Op dat exacte moment klonk er buiten een harde knal. De zware houten voordeur van de kapel werd met geweld geramd. "POLITIE! HANDEN OMHOOG!" schreeuwden meerdere stemmen.
Viktor aarzelde een fractie van een seconde en keek geschokt om naar de voordeur. Dat was mijn kans. Ik trok mijn vrije been op en trapte met mijn volle gewicht recht tegen zijn knieschijf. Viktor schreeuwde het uit van de pijn en verloor zijn evenwicht. Hij viel achterover, boven op de brandende houten balken die van het dak waren gevallen.
Zijn kleren vatten direct vlam. Hij schreeuwde het uit en rolde wild over de vloer, weg van mij.
Ik kroop op mijn handen en knieën terug naar het raam. Twee sterke armen grepen me van buiten vast en trokken me door het kozijn naar de frisse, kille buitenlucht.
Ik viel in het natte gras en ademde de koude regenlucht met teugels tegelijk in. Mijn longen brandden, mijn handen bloedden, maar ik leefde.
"Mevrouw! Blijf liggen! Er is een ambulance onderweg!" riep een politieman die over me heen boog.
Aan de overkant van het veld zag ik Kees liggen. Twee broeders van de ambulancedienst waren al bij hem en brachten een zuurstofmasker op zijn gezicht aan. Hij leefde nog.
Ik keek achterom naar de Kosterkapel. Het eeuwenoude gebouw was veranderd in een laaiende vuurzee. De vlammen sloegen metershoog uit het dak en kleurden de nachtelijke hemel bloedrood.
Plotseling zag ik bij de achterzijde van het gebouw een gedaante uit de rook tevoorschijn komen. Het was Charlotte. Haar kleren waren verschroeid en ze struikelde door het hoge poldergras, weg van de kapel, de donkere nevels van het weiland in.
Niemand van de politiemensen had haar gezien; alle aandacht was gericht op het vuur en de hulpverlening.
Charlotte leefde nog. En ze vluchtte.
Ik probeerde overeind te komen, maar mijn krachten begaven het. Mijn zicht werd wazig en het geluid van de sirenes vervaagde tot een dof gegrom. Het laatste wat ik zag voordat ik het bewustzijn verloor, was de schim van mijn zus die verdween in de nacht.
Wanneer ik mijn ogen weer opendeed, lag ik in een strakke, witte ziekenhuiskamer. Het vertrouwde gepiep van een hartmonitor vulde de ruimte. Naast mijn bed zat Kees. Hij had een infuus in zijn arm en zag er broos uit, maar zijn ogen waren helder.
"Mam..." fluisterde hij.
Ik stak mijn trillende hand uit en hij pakte hem stevig vast.
"Het spijt me zo, mam," snikte hij, terwijl de tranen over zijn wangen rolden. "Het spijt me dat ik je beschuldigd heb. Ik was zo blind..."
"Het is al goed, mijn jongen," zei ik zacht. "Het is al goed."
Op dat moment ging de deur van de kamer open. Een rechercheur in burgerpak stapte binnen. Zijn gezicht stond ernstig.
"Mevrouw van der Meer? Mijn naam is Rechercheur de Jong," zei hij. "Ik ben blij dat u wakker bent. We hebben uw verklaring dringend nodig."
"Hebben jullie Charlotte gevonden?" vroeg ik met bange voorgevoelens.
De rechercheur schudde langzaam zijn hoofd.
"We hebben het verbrande lichaam van de man, Viktor, in de ruïne gevonden. Maar van de vrouw... is geen spoor ontdekt. Wel hebben we vanmorgen vroeg haar auto teruggevonden bij de haven van Rotterdam."
Hij zweeg even en keek me strak aan.
"Er lag een briefje op het dashboard van haar auto, mevrouw. En het was aan u gericht."






