Het brullende geluid van de kettingzaag vulde het kleine houten tuinhuisje met een oorverdovend kabaal. De stalen tanden van het gereedschap vraten zich in een spoor van rondvliegende splinters door de wand.
— ‘Dekken!’ schreeuwde Elena Vance.
Ze vuurde drie snelle schoten af recht door de houten wand, op de plek waar het motorgeluid vandaan kwam. Een rauwe kreet van pijn klonk aan de buitenkant, gevolgd doordat het geluid van de zaag wegviel en het zware apparaat kletterend op de grond stoorde.
— ‘Er uit! Nu!’ roep Vivienne — het meisje dat ik vijf jaar lang voor mijn dochter Nadia had gehouden.
Ze trapte met een krachtige beweging tegen het smalle raam aan de zijkant van het schuurtje. Het glas spatte uiteen. Elena greep mij bij mijn riem en duwde me door het raamkozijn naar buiten, het natte gras van de volkstuintjes op. Vivienne en Elena sprongen er direct achteraan.
Achter ons brak de hele achterwand van het schuurtje af. Drie gewapende mannen in zwarte regenjassen stormden naar binnen, geleid door mijn broer Robert. Zijn arm was strak verbonden met een natte doek, zijn gezicht vertrokken van woede en pijn.
— ‘Schiet ze neer! Laat niemand levend ontkomen!’ brulde Robert.
Kogels floten door de nachtlucht en sloegen in de houten schuttingen en de glazen kasjes van de tuintjes. Plantenpotten en ruiten spatten in duizend stukken uiteen.
We renden voor ons leven door het doolhof van smalle paadjes. Ik voelde de ijskoude regen niet eens meer; de adrenaline en de rauwe shock over het verlies van mijn echte dochter Nadia hielden mijn oude spieren in beweging. Nadia was al vijf jaar dood. Het meisje dat naast me rende was een vreemde, een pion in een gigantisch schaakspel van bedrog en macht.
Maar op dit moment was zij de enige lijn tussen mij en een kogel van mijn eigen broer.
— ‘Naar de hoofdweg!’ riep Elena, terwijl ze al rennend haar magazijn verwisselde.
We braken door een houten hekwerk en kwamen uit op de drukke Coolsingel, de brede boulevard die recht naar het centrum van Rotterdam leidde. Het verkeer was op dit late uur dun, maar de straatverlichting en de neonreclames van de winkels wierpen een koud, fel licht over het natte asfalt.
In de verte zagen we de massieve, neorenaissancistische gevel van het Stadhuis van Rotterdam oprijzen. Het imposante gebouw met zijn hoge toren en zware stalen deuren lag er rustig bij, maar ik wist dat achter die muren de ultieme waarheid verborgen lag.
— ‘Burgemeester Henk van Dongen…’ stamelde ik al hijgend terwijl we onder de bomen van de boulevard renden. ‘Hij was op de bruiloft van me en Astrid… Hij heeft Nadia op zijn schoot gehouden toen ze een baby was… Hoe kan hij hierin zitten?!’
— ‘Henk van Dongen was dertig jaar geleden een van de hoofdarchitecten van het Zwitserse witwasnetwerk,’ zei Vivienne hard, zonder haar stap te vertragen. ‘Hij heeft zijn politieke carrière in Nederland volledig opgebouwd met het geld van de Von Bismark-familie. In ruil daarvoor beschermde hij jouw vrouw Helena en hield hij het politieonderzoek naar de brand in Rijckholt tegen.’
— ‘En de urn?’ vroeg Elena. ‘Hoe is de echte urn in zijn kantoor terechtgekomen?’
— ‘Helena heeft de urn persoonlijk naar het stadhuis gebracht drie weken voordat ze stierf,’ antwoordde Vivienne. ‘Ze vertelde Henk dat het de as van haar moeder bevat en vroeg hem om het als een gunst in zijn privé-kluis achter het schilderij van Koningin Wilhelmina te bewaren. Henk wist niet dat de microfilms in de dubbele bodem van die urn verstopt zaten… totdat ik hem gisteren anoniem een bericht stuurde om hem te ontmaskeren!’
— ‘Je hebt hem gewaarschuwd?!’ riep Elena woedend uit. ‘Ben je gek geworden?!’
— ‘Het was de enige manier om hem uit zijn tent te lokken!’ antwoordde Vivienne strak. ‘Henk is een paniekerige man. Zodra hij weet dat hij gevaar loopt, zal hij de kluis openen om de urn te vernietigen. En dat geeft ons de enige kans om hem op heterdaad te betrappen!’
We bereikten de monumentale stenen trap van het stadhuis. De zware eikenhouten deuren waren op slot, maar Vivienne haalde een elektronische loper uit haar zak — een loper die ze kennelijk had gekregen uit het netwerk van haar overleden moeder.
Ze haalde de kaart door de lezer naast de zijingang. Een groen lampje knipperde, en de zware stalen deur klikte open.
We glipten naar binnen. Het stadhuis was stil en verlaten. De marmeren vloeren galmden bij elke stap die we zetten. Onze kletsnatte kleren lieten een spoor van water achter op de glimmende tegels. We haastten ons door de lange hallen, langs de standbeelden en de hoge bogen, richting de lift die naar de werkkamer van de burgemeester leidde.
Maar net toen de liftdeuren opengingen op de derde verdieping, hoorden we het geluid van een schot dat door de gangen weergalmde.
KNAL!
Het geluid kwam rechtstreeks uit het kantoor van de burgemeester.
Elena trok haar wapen en sloop voorzichtig over de rode loper van de gang. Vivienne en ik volgden op korte afstand. De zware dubbele deur van de burgemeesterskamer stond op een kier. Een smalle streep warm licht scheen op de donkere gangvloer.
Elena duwde de deur met de punt van haar pistool langzaam verder open.
De scène binnen in de kamer was schokkend.
Het luxueuze kantoor van de burgemeester was overhoop gehaald. Boeken lagen over de vloer verspreid, het grote eikenhouten bureau was leeggeveegd. Achter het bureau stond een grote kluis open.
Op de vloer, naast een gebroken kobaltblauwe keramische pot, lag het lichaam van burgemeester Henk van Dongen. He hield zijn borstkas vast, waar een donkere bloedvlek zich snel uitbreidde over zijn witte overhemd.
En boven hem stond niet mijn broer Robert.
Boven hem stond een vrouw in een strak, zwart pak. Ze droeg handschoenen en hield een klein, zwart stalen kistje in haar hand — de inhoud van de geopende urn.
Toen de vrouw zich langzaam omdraaide naar de deur, voelde ik de laatste beetjes realiteit uit mijn geest wegsijpelen.
Het gezicht van de vrouw was rimpelloos, koud en elegant. Ze droeg een smaragden halsketting om haar nek.
Het was de vrouw die ik vijf jaar geleden persoonlijk had laten cremeren.
Het was mijn vrouw… Astrid. Of liever gezegd: Helena!
— ‘Goeieavond, Willem,’ sprak ze met de stem die ik veertig jaar lang elke ochtend had gehoord. ‘Het heeft lang geduurd voordat je de puzzel compleet had.’
(Wordt vervolgd in deel 10…)
---






