De stormachtige nachtwind op het platte dak van het Stadhuis van Rotterdam voelde als een ijzeren vuist die ons probeerde van de rand af te blazen. De regen sloeg zo hard neer dat de lichten van de stad beneden ons veranderden in een wazige, vloeibare zee van rood en geel.
Boven het dak zweefde de zwarte, merkloze helikopter. Zijn machtige rotorbladen sneden door de wolkbreuk met een verdovend, ritmisch kabaal dat de stenen onder onze voeten deed trillen. De felwitte schijnwerper onder de boeg van de helikopter verlichtte de kletsnatte dakbedekking.
Aan het einde van het dak, vlak bij de rand, stond Helena.
Ze had het touwladder van de helikopter al vast gegrepen. Haar zwarte jas wapperde wild in de wind. Maar ze kon niet omhoog klimmen.
Vivienne Leclair stond tussen haar en de ladder in.
Vivienne droeg geen wapen meer — het was uit haar handen geschoten tijdens de gevechten in de burgemeesterskamer beneden. Maar ze hield de kleine, scherpe dolk vast die ze eerder had gebruikt. Haar gezicht was bedekt met bloed en regenwater, maar haar ogen brandden van een pure, onvermoeibare haat.
— ‘Laat de koker los, Helena!’ schreeuwde Vivienne boven het geluid van de helikopter uit. ‘Je komt dit dak niet levend af!’
Helena lachte. Haar lach werd weggewaaid door de storm, maar haar ijzige blik sprak boekdelen.
— ‘Je bent net zo foolish als je moeder Astrid, Vivienne,’ riep Helena terug. ‘Denk je echt dat een klein meisje met een mes een vrouw kan tegenhouden die over koninkrijken en miljarden heeft geheerst?’
Helena haalde een klein, zilveren pistool uit haar dijbeenholster en richtte het recht op Vivienne’s borstkas.
Elena Vance en ik stormden de dakdeur uit. Elena hief haar eigen pistool en schreeuwde:
— ‘Helena! Geef op! De BND en de Nederlandse speciale eenheden zijn al onderweg!’
Helena keek niet eens om. Ze haalde de trekker over!
KNAL!
De kogel trof Vivienne in haar schouder. Vivienne schreeuwde het uit van de pijn en viel achterover op de natte dakbedekking. Helena maakte van die seconde gebruik om haar voet op de eerste sport van de touwladder te zetten en het signaal te geven aan de piloot om omhoog te trekken.
De helikopter begon langzaam te stijgen!
— ‘NEE!’ brulde ik.
De woede die zich al die uren in mijn oude lichaam had opgekropt, explodeerde. Ik keek niet naar mijn leeftijd, ik dacht niet aan mijn zwakke hart of mijn stramme gewrichten. Ik zag alleen het gezicht van de vrouw die mijn hele leven had verwoest en mijn echte dochter Nadia in de eenzaamheid had laten sterven.
Ik liet mijn wandelstok vallen en rende met alles wat ik in me had over het natte dak.
— ‘Willem! Nee! Blijf terug!’ schreeuwde Elena.
Maar ik hoorde haar niet meer.
Ik wierp mezelf met volle overgave over de rand van het dak en greep de onderste sport van de touwladder vast, net toen de helikopter twee meter boven de dakrand steeg.
De schok trekt aan mijn armen alsof ze uit hun kommen werden gerukt. Ik hing in de vrije lucht, tientallen meters boven de diepe afgrond van de Coolsingel! De wind rukte aan mijn kleren, de regen verblindde mijn ogen.
Helena, die twee sporten boven me hing, keek naar beneden en zag me hangen. Haar gezicht vertrok van pure verbazing.
— ‘Willem?!’ schreeuwde ze. ‘Ben je helemaal waanzinnig geworden?! Laat los, je valt je dood tegemoet!’
— ‘Nimmer!’ schreeuwde ik terug, terwijl ik met mijn laatste krachten mijn benen om de touwsporten wikkelde en me omhoog hees. ‘Jij hebt mijn dochter afgenomen! Jij hebt mij veertig jaar lang een leugen verkocht! Ik laat je niet meer gaan!’
Ik greep haar enkels vast en trok met mijn volle lichaamsgewicht naar beneden.
De helikopter schudde hevig door het plotselinge, ongelijk verdeelde gewicht. De piloot probeerde het luchtvaartuig te corrigeren, maar een krachtige windvlaag greep de staart van de helikopter.
Helena schreeuwde toen haar greep op de touwladder glipte. Ze kon zich met slechts één hand vasthouden. Het zwarte stalen kistje met de microfilms glipte uit haar tas en viel door de lucht naar beneden, om kletterend te pletter te slaan op het dak van het stadhuis!
— ‘Mijn documenten!’ schreeuwde Helena in paniek.
— ‘Kijk naar mij, Helena!’ brulde ik, terwille van de kracht die uit het diepste van mijn ziel omhoog kwam.
Ik reikte omhoog en greep de smaragden halsketting om haar nek vast. De ketting die ze veertig jaar lang had gedragen als het symbool van haar gestolen identiteit.
— ‘Jij bent niet Astrid!’ schreeuwde ik. ‘En je zult nooit meer over iemands leven heersen!’
Met een krachtige ruk trok ik aan de ketting. Het gouden slotje brak met een scherp geluid.
Helena’s ogen werden wijd van angst toen ze haar evenwicht volledig verloor. Ze liet de touwladder los.
— ‘WILLEM!’ schreeuwde ze, terwijl ze de diepte in viel.
Haar gestalte verdween in de duisternis van de storm, tientallen meters naar beneden, tot er een doffe, verschrikkelijke klap klonk op de binnenplaats van het stadhuis.
De helikopter schoot door het verlies van haar gewicht plotseling omhoog. Ik kon me niet langer vasthouden. Mijn natte vingers glipten van de sporten van de touwladder.
Ik viel.
De wereld om me heen werd een wazige spiraal van duisternis, regen en voorbijflitsende lichten. Ik sloot mijn ogen en bereidde me voor op het einde. Ik dacht aan mijn echte dochter Nadia, aan het kleine meisje dat ik ooit in mijn armen had gehouden, en ik hoopte dat ik haar aan de andere kant weer zou zien.
Maar de dood kwam niet.
Met een brute, schokkende klap werd mijn val onderbroken.
Twee krachtige handen grepen de kraag van mijn jas vast. Ik bungelde boven de diepte, maar ik viel niet meer.
Ik opende mijn ogen.
Boven mij, leunend over de rand van het dak van het stadhuis, lag Elena Vance. Haar armen waren tot het uiterste gespannen, haar gezicht rood van de immense fysieke inspanning.
— ‘Ik… laat… jou… niet… vallen… Willem!’ persde ze er door haar tanden uit.
Achter haar verscheen Vivienne Leclair, die ondanks haar bloedende schouderwond met haar gezonde arm Elena’s riem vastgreep en mee hielp trekken.
Met een laatste, wanhopige krachtsinspanning trokken de twee vrouwen mij over de stenen balustrade van het dak.
Ik viel op de harde, natte dakbedekking en snakte naar adem. Mijn longen brandden, mijn hart klopte in een krankzinnig ritme.
De helikopter boven ons, ontdaan van zijn passagiers en zwaar beschadigd door de storm, draaide om en vloog weg in de nacht, verdwijnend achter de lage bewolking van Rotterdam.
Het dak werd stil. Alleen het ruisen van de regen en ons zware ademhalen bleef over.
Naast me lag het zwarte stalen kistje dat uit Helena’s tas was gevallen. De spuiting was door de val opengesprongen.
Uit het kistje rolden geen miljarden aan geld.
Er rolden tientallen piepkleine microfilms en een vergeeld dagboek over het natte dak.
Vivienne pakte het dagboek op en opende de eerste pagina.
Onder het kille licht van de storm las ze de handgeschreven letters van de echte Astrid von Bismark hardop voor:
‘Aan degenen die dit lezen: De waarheid kan niet worden verbrand. De as zal altijd spreken.’
(Wordt vervolgd in deel 12…)
---






