HET GEHEIM ONDER DE AS
News Story

HET GEHEIM ONDER DE AS

57 weergaven

De vochtige lucht van de ondergrondse tunnel voelde plotseling ijskoud aan. Het kletteren van water op de betonnen vloer was het enige geluid dat de stilte doorbrak, behalve de zware, regelmatige ademhaling van de vier gewapende mannen die ons omsingelden. Mijn broer Robert stond voor me. Zijn gezicht, dat ooit de trekken droeg van de jongen met wie ik mijn jeugd had gedeeld, was nu verhard door de tijd, macht en meedogenloosheid.

— ‘Robert…,’ bracht ik er met moeite uit. Mijn stem klonk hees en gebroken. ‘Waarom? In godsnaam, waarom?’

Robert lachte zachtjes. Het was een droge, vreugdeloze lach die me tot op het bot deed huiveren. Hij sloeg met de stalen punt van zijn wandelstok tegen de betonnen muur, een geluid dat hard galmde in de smalle ruimte.

— ‘Waarom, Willem?’ zei hij met een stem die doordrenkt was van minachting. ‘Omdat jij altijd de naïeve, brave zoon was. Jij was tevreden met je simpele leventje aan de gracht, je boeken en je kleine ambtenarenbaantje. Jij had geen idee op wat voor een berg goud en macht onze lieve “Astrid” werkelijk zat!’

— ‘Ze was mijn vrouw!’ schreeuwde ik, terwijl de woede het won van mijn angst. ‘Ze was de moeder van mijn kind! En jij… jij hebt Nadia vermoord!’

Een kleine spier in Roberts kaak vertrok, maar zijn ogen bleven ijskoud.

— ‘Nadia was een stoorzender,’ zei hij gevoelloos. ‘Ze stak haar neus in zaken die haar niet aangingen. Als ze de kist in Rijckholt gewoon had laten liggen, zou ze nu nog geleefd hebben. Maar ze wilde de held spelen. Net zoals deze nep-dochter hier naast je.’

Hij keek vluchtig naar Elena Vance, die met samengeknepen ogen en een ontspannen spieren naast me stond. Ze bewoog niet, maar ik kon voelen dat ze als een gespannen veer klaarstond om toe te slaan.

— ‘Elena Vance,’ zei Robert met een spottende buiging. ‘De beroemde ex-agent van de Bundesnachrichtendienst. Je dacht echt dat je de Von Bismark-erfenis kon stelen met een paar goedkope maskerades en stemtricks? Je lijkt sprekend op de dode meid, dat moet ik je nageven. Maar een imitatie blijft een imitatie.’

— ‘En jij blijft een lafhartige moordenaar, Robert,’ sprak Elena met haar eigen, snijdende stem. ‘Je bent niets meer dan een loopjongen voor een familie die jou nooit als een van hen zal accepteren. Je denkt dat je de leider bent, maar je bent slechts de opruimer van hun vuile was.’

Roberts gezicht betrok. De minachting maakte plaats voor een duistere, gevaarlijke woede. He tilde zijn hand op en gaf een signaal aan de twee mannen aan zijn rechterzijde.

— ‘Neem het zwarte kistje van haar over,’ beval hij. ‘En schiet haar daarna door haar kop. Willem nemen we mee. Hij moet me laten zien waar de resterende documenten in het grachtenpand verborgen liggen.’

De twee gewapende mannen deden een stap naar voren, hun aanvalsgeweren gericht op Elena’s borstkas.

Op dat precieze moment veranderde de situatie in een fractie van een seconde.

Elena wachtte niet af. Met een bliksemsnelle beweging greep ze de loop van het dichtstbijzijnde geweer en duwde die omhoog. Een oorverdovende salvo schoten gonsde door de tunnel, waarbij de kogels tegen het betonnen plafond afketsten en vonken regeningsgewijs naar beneden vlogen.

In de verwarring haalde Elena een kleine, zwarte rookgranaat uit de binnenkant van haar jas en sloeg die tegen de vloer.

Dichte, bijtende, grijze rook ontplofte in de smalle ruimte.

— ‘Schiet ze neer! Schiet ze allemaal neer!’ schreeuwde Robert paniekerig door de rook.

Wapens begonnen wilde salvo's af te vuren. Het geluid in de besloten tunnel was verdovend. Ik voelde hoe Elena me bij mijn kraag greep en me met brute kracht achterwaarts door een smalle doorgang in de tunnel muur trok. Ik struikelde over losse bakstenen en viel hard op mijn knieën, maar ze trok me meedogenloos overeind.

— ‘Blijven rennen!’ schreeuwde ze in mijn oor.

We renden door een pikdonkere, smalle pijp die aftakte van de hoofdtunnel. Achter ons hoorden we de woedende kreten van Roberts mannen en de echo van hun laarzen die door het water stampten.

— ‘Ze komen achter ons aan!’ hijgde ik, terwijl mijn borstkas voelde als een brandende oven. ‘Ik kan niet sneller, Elena!’

— ‘We zijn er bijna!’ antwoordde ze.

Aan het einde van de pijp dook een stalen rooster op. Boven het rooster zagen we het flikkerende, bewegende licht van straatverlichting en hoorden we het gieren van de wind. We waren onder de kade van de Leuvehaven uitgekomen.

Elena haalde een inklapbare betonschaar uit haar rugzak en knipte met twee krachtige bewegingen het doorgeroeste slot van het rooster door. Ze duwde het zware stalen luik omhoog.

Koude, frisse regenwater sloeg in ons gezicht toen we naar buiten klommen op een kade. De haven was verlaten, op een paar aangemeerde binnenvaartschepen en oude sleepboten na.

Ik viel op mijn knieën op de natte kasseien en probeerde naar adem te scheppen. Mijn hele lichaam trilde van de fysieke en mentale uitputting. Maar er was geen tijd om te rusten.

In de verte, aan het einde van de kade, zagen we de lichten van twee zwarte terreinwagens die met gillende banden de haven op kwamen gereden. Robert’s mannen hadden de bovenstroomse uitgang geblokkeerd.

— ‘In de boot!’ riep Elena, terwijl ze wees naar een kleine, zwarte aluminium motorboot die aangemeerd lag aan een van de steigers.

We sprongen over de kade en lieten ons in de boot vallen. Elena haalde een mes te voorschijn, snijd de aanmeerlijnen in één haal door en sloeg op de startknop van de krachtige buitenboordmotor. De motor sloeg met een diep, brullend geluid aan.

Op dat moment kwamen de eerste kogels uit de duisternis gevlogen. Ze sloegen met doffe, metalen tetsen in de romp van de boot en ketsten af op de kade.

Elena gaf vol gas. De boot schoot als een pijl uit een boog door het zwarte water van de haven, terwijl het schuimende hekgolf achter ons omhoog spatte.

Ik keek achterom. Op de kade stond de gestalte van mijn broer Robert. Hij keek ons na, zijn zilveren wandelstok strak in zijn hand geklemd. Hij schoot niet zelf, maar hij keek toe alsof hij wist dat het spel nog lang niet voorbij was.

— ‘Waar gaan we heen?’ schreeuwde ik boven het geluid van de motor en de regen uit.

Elena stuurde de boot met behendige hand door de golven van de Maas, richting de smalle ingang van de oude stadgrachten.

— ‘We gaan naar je huis, Willem,’ zei ze met een kille glimlach. ‘Robert denkt dat hij ons voor is, maar hij weet niet dat ik de exacte locatie van het originele testament al heb ontcijferd uit de foto die Nadia me heeft gegeven.’

— ‘Wat?’ zei ik stomverbaasd. ‘Je zei net dat de papieren in de urn zaten!’

Elena keek me even aan, haar ogen glimmend in het duister van de nacht.

— ‘Ik moest Robert laten geloven dat hij de papieren in de urn kon vinden, Willem. Dat was de enige manier om hem naar jouw huis te lokken en hem in de val te laten lopen. De papieren zitten helemaal niet in de urn.’

— ‘Waar zitten ze dan wel?!’

— ‘Ze zitten in de kist van de vrouw die vijf jaar geleden op de begraafplaats in Rotterdam is begraven,’ fluisterde ze. ‘In het graf van jouw “Astrid”.’

Ik staarde haar aan, volkomen sprakeloos.

En op dat moment hoorden we boven ons het snijdende, ritmische geluid van helikopterbladen die door de lucht hakten. Een fel schijnwerperlicht uit de lucht daalde neer en omhulde onze kleine motorboot in een verblindende cirkel van wit licht.

Een stem schalde door een megafoon uit de helikopter:

— ‘Geef op! Jullie kunnen nergens meer heen!’

(Wordt vervolgd in deel 6…)

---