HET GEHEIM ONDER DE AS
News Story

HET GEHEIM ONDER DE AS

57 weergaven

De sirenes van de naderende politieauto's sneden door de kille nachtlucht van Rotterdam. De blauwe flitslichten dansden als hectische geesten over de marmeren grafstenen van Begraafplaats Crooswijk.

Elena greep mijn andere arm en trok me mee richting het achterste poortje van de begraafplaats. Nadia rende aan de andere kant naast me. Mijn benen bewogen automatisch, maar mijn geest was volledig verlamd.

De zilveren slangentatoeage op Nadia's pols.

Ik had de foto uit de vergeelde envelop duizend keer in mijn hoofd afgespeeld sinds die middag in de woonkamer. De foto van de twee jonge vrouwen voor het landhuis in Rijckholt. De een droeg de smaragden halsketting van de vrouw met wie ik veertig jaar getrouwd was. De ander droeg de zilveren armband met de slang.

Maar de tatoeage op Nadia’s arm was geen armband. Het was een in de huid gegraveerd merkteken.

— ‘Hier in!’ commandeerde Nadia, terwijl ze een roestig, klein hekwerk openduwde dat leidde naar een doolhof van smalle volkstuintjes achter de begraafplaats.

We doken onder de druipende takken van een grote heggenschaar door en verschuilden ons in een klein houten tuinhuisje. Elena deed de deur dicht en schoof een zware houten balk voor het slot. Ze ging tegen de muur zitten, haar ademhaling zwaar, haar pistool nog steeds in haar hand.

In de kleine, donkere ruimte klonk alleen het tikken van de regen op het golfplaten dak en ons hortende ademhalen.

Ik bleef overeind staan, leunend op mijn wandelstok, en staarde naar het meisje dat beweerde mijn dochter te zijn.

— ‘Laat je pols zien,’ zei ik. Mijn stem was niet langer die van een angstige oude man, maar klonk ijzig en vastberaden.

Nadia keek me aan. Er lag een diepe, onpeilbare droefheid in haar blik. Ze aarzelde een seconde, maar stroopte toen langzaam de natte mouw van haar zwarte jas omhoog.

Onder het kille schijnsel van het straatlicht dat door de kiertjes van het hout drong, was de tatoeage haarscherp te zien. Een zilveren slang die haar eigen staart vasthield — de Ouroboros.

— ‘Wie ben jij?’ vroeg ik, terwijl mijn stem trilde van een mengeling van verdriet en opkomende woede. ‘Mijn Dochter Nadia had deze tatoeage niet. Ze had nooit een tatoeage. Ze haatte naalden! Wie ben jij werkelijk?!’

Elena Vance keek gealarmeerd op en richtte haar wapen langzaam op het meisje.

— ‘Spreek,’ zei Elena scherp. ‘En lieg niet, want ik aarzel niet om te schieten.’

Het meisje zuchtte diep. Ze liet haar hoofd even zakken, en toen ze het weer ophief, leek de hele aura om haar heen te veranderen. De houding van het jonge meisje verdween, en wat overbleef was een getrainde, meedogenloze volwassene.

— ‘Mijn naam is niet Nadia van der Meer,’ sprak ze met een stem die ineens een licht Frans accent vertoonde. ‘Mijn echte naam is Vivienne Leclair. Ik ben een dochter van de echte Astrid von Bismark.’

Mijn maag maakte een wrede smak.

— ‘Een dochter van de echte Astrid…?’ stamelde ik. ‘Dus… jij bent niet mijn Dochter?’

— ‘Nee, Willem,’ zei Vivienne zacht. ‘Jouw echte dochter Nadia… is inderdaad vijf jaar geleden overleden. Niet door een moord in Rijckholt, maar aan een erfelijke hartafwijking, slechts twee maanden nadat jouw vrouw Helena stierf.’

De woorden kwamen aan als een genadeslag. Mijn Nadia… mijn lieve, stille Nadia… was al vijf jaar dood?

— ‘Nee… nee!’ schreeuwde ik, terwille van de pijn die mijn borstkas uit elkaar scheurde. ‘Dat is niet waar! Ik heb met haar gesproken! Ze woonde in Delfshaven! Ik heb haar drie weken geleden nog gezien voor mijn voordeur!’

— ‘Dat was ik, Willem,’ zei Vivienne met tranen in haar ogen. ‘Ik heb de afgelopen vijf jaar de rol van jouw dochter gespeeld. Ik heb haar kleren gedragen, ik heb haar stem geïmiteerd, ik heb haar leven geleefd in Delfshaven. Helena — jouw vrouw — heeft mij voor haar dood benaderd. Ze wist dat haar eigen dochter Nadia niet lang meer te leven had vanwege de ziekte. Ze smeekte mij om Nadia’s plaats in te nemen, om te voorkomen dat jij als eenzame, gebroken man achter zou blijven… én om het geheim van de familie Von Bismark te beschermen.’

— ‘Je hebt me vijf jaar lang voorgekopt?!’ riep ik uit, terwille van de koudste woede die ik ooit had gefelt. ‘Je hebt me laten geloven dat mijn kind nog leefde?!’

— ‘Ik deed het om je te beschermen, Willem!’ zei Vivienne dringend, terwijl ze een stap naar me toe deed. ‘Als Robert had ontdekt dat de echte Nadia dood was, zou hij het grachtenpand onmiddellijk hebben gestript en jou zonder twijfel hebben vermoord! Ik moest de leugen in stand houden totdat we de Von Bismark-organisatie definitief konden vernietigen!’

Elena Vance stond langzaam op, haar wapen nog steeds op Vivienne gericht.

— ‘En het graf dat net ontplofte?’ vroeg Elena. ‘Wat lag daar werkelijk in?’

Vivienne keek Elena strak aan.

— ‘Daar lag het echte bewijs in van de wapenhandel uit 1980. Maar de documenten die het internationale syndicaat en de betrokken politici in Europa kunnen ontmaskeren… die liggen op een heel andere plek.’

— ‘Waar?’ vroeg Elena.

— ‘In de kobaltblauwe urn,’ antwoordde Vivienne.

Ik staarde haar aan alsof ze gek geworden was.

— ‘Maar die urn is kapot geslagen in mijn woonkamer!’ schreeuwde ik. ‘We hebben het gezien! Er lag alleen as en een bot in!’

Vivienne glimlachte bitter.

— ‘Denk je echt dat ik de meest waardevolle papieren ter wereld in een breekbare keramische pot op een boekenplank zou laten staan, Willem? De urn die in jouw woonkamer staat, was een duplicaat. De echte urn… de echte kobaltblauwe urn met de geheime microfilms… staat op de plek waar niemand ooit zou zoeken.’

— ‘Waar?!’ vroegen Elena en ik tegelijkertijd.

Vivienne keek me recht in de ogen en zei:

— ‘In het kantoor van de burgemeester van Rotterdam. De man die jou dertig jaar lang als zijn beste vriend heeft beschouwd.’

Mijn adem stokte opnieuw. Burgemeester Henk van Dongen. Mijn oude studievriend. De man met wie ik elke maand een glas konjak dronk in het stadhuis.

— ‘Henk…?’ stamelde ik. ‘Henk zit hier ook in?’

— ‘Henk is de hoogste baas van de Von Bismark-tak in Nederland,’ zei Vivienne koud. ‘En hij heeft jouw huis al die jaren laten bewaken. En op dit moment is hij onderweg naar het stadhuis om de urn definitief te vernietigen, omdat hij weet dat Robert faalt.’

Op dat moment klonk er een hard geluid van buiten het tuinhuisje.

Een zware, stalen kettingzaag sneed met een brullend geluid door de houten achterwand van het schuurtje. Splinters en houtblokken vlogen door de ruimte!

— ‘Vond jullie echt dat jullie me konden ontkomen?!’ brulde de stem van Robert van buiten.

Hij was niet alleen. Hij had de begraafplaats overleefd, en zijn overgebleven mannen braken de wanden van het tuinhuisje met grof geweld af!

(Wordt vervolgd in deel 9…)

---