Het helse kabaal van de helikopterbladen zweefde vlak boven de Maas, en het verblindende schijnwerperlicht veranderde het zwarte water rondom onze boot in een kookpot van wit schuim. De gierende wind van de rotorbladen sloeg de regen met brute kracht in onze gezichten.
— ‘Bukhoud, Willem!’ schreeuwde Elena boven het lawaai uit.
Ze trok met een ruk aan het roer. De motorboot maakte een scherpe, gevaarlijke hoek van negentig graden en schoot onder de brede, betonnen pijlers van de Erasmusbrug door. Het schijnwerperlicht van de helikopter werd abrupt geblokkeerd door de massieve constructie van de brug, waardoor we voor een paar kostbare seconden weer in de duisternis doken.
— ‘Ze gebruiken een privé-helikopter van het Von Bismark-syndicaat!’ riep Elena, terwijl ze de boot door het nauwe vaarwater van de oude binnenhaven manoeuvreerde. ‘Ze durven hier niet te laag te vliegen vanwege de hoogspanningskabels en de hoge gebouwen. We moeten de boot verlaten voordat ze ons weer in het vizier krijgen!’
Ze stuurde de boot recht op een verlaten, houten steiger af die achter een oud pakhuis lag. De boeg knalde met een harde klap tegen de balken. Zonder te aarzelen sprong Elena uit de boot en hielp me over de kletsnatte, gladde planken te klimmen.
Nog geen tien seconden nadat we het steiger hadden laten rusten, vloog de helikopter weer over het water. Een salvo van automatische geweerschoten ratelde uit de open deur van het luchtvaartuig en doorzeefde onze achtergelaten motorboot. De benzinetank explodeerde in een laaiende vuurbal die de nachtelijke hemel oranje kleurde.
De drukwolf blies ons tegen de bakstenen muur van het pakhuis.
— ‘Snel, door het steegje!’ roep Elena, terwijl ze me overeind trok.
We renden door een smalle, donkere steeg die uitkwam op een stille straat in het historische hart van Rotterdam. Mijn benen voelden aan als rubber, mijn ademhaling was een hese, pijnlijke piep. Maar de gedachte aan wat Elena zojuist had gezegd, hield me op de been.
Het graf van Astrid.
— ‘Is het waar?’ stamelde ik terwijl we ons in de schaduw van een portiek verschuilden. ‘De papieren… de echte erfenis… zit in de doodskist van mijn vrouw?’
Elena leunde tegen de muur en controleerde het magazijn van haar pistool. Haar zilvergrijze haar plakte aan haar voorhoofd van het zweet en het regenwater.
— ‘Ja, Willem,’ zei ze met een gedempte stem. ‘Toen Helena — de vrouw die jij Astrid noemde — wist dat ze ging sterven aan kanker, begreep ze dat haar verleden haar dochter zou inhalen. Ze wilde de papieren niet in huis laten liggen, en ze wilde ze niet aan een bank toevertrouwen die door de Von Bismark-familie kon worden gecontroleerd. Ze heeft de waterdichte, stalen koker met de documenten in haar eigen kleding genaaid voordat ze in de kist werd gelegd.’
— ‘En de urn?’ vroeg ik. ‘Het bot met mijn trouwring?’
— ‘Dat was Helena’s laatste gruwelijke grapt of haar ultieme wraak,’ antwoordde Elena. ‘Het bot in de urn was een stuk van de echte Astrid, die ze dertig jaar geleden heeft vermoord. Ze liet het achter als een lokaas voor Robert, om hem af te leiden van de echte schat. Maar wat Helena niet wist, was dat Robert door had dat ze hem om de tuin leidde.’
Een rilling ging over mijn rug. Mijn hele huwelijk, de vrouw die ik had liefgehad, de herinneringen die ik koesterde… alles was opgebouwd uit lagen van bedrog, moord en meedogenloze berekening.
— ‘Begraafplaats Crooswijk,’ fluisterde ik. ‘Daar ligt ze.’
— ‘Dan is dat waar we naartoe gaan,’ zei Elena. ‘En we moeten er zijn voordat de zon opkomt. Robert heeft ook ontdekt dat de urn een afleidingsmanoeuver was. Zijn mannen zijn al onderweg naar het kerkhof.’
We wisten een geparkeerde, oude bestelwagen in de steeg te kraken. Elena kortsluitte de draden onder het stuurwiel met een vaardigheid die verraadde dat ze dit honderden keren eerder had gedaan. De motor sloeg sputterend aan, en we reden met gedoofde lichten de rustige straat uit.
De rit naar Begraafplaats Crooswijk duurde niet langer dan vijftien minuten, maar het voelde als een reis door de hel. De stad lag er stil en verlaten bij onder de aanhoudende stortbui, maar op elke hoek van de straat leek ik de schaduw van mijn broer Robert te zien.
Toen we bij de hoge, gietijzeren poort van de begraafplaats aankwamen, stopte Elena de bestelwagen onder de dichte kronen van een reeks oude eikenbomen.
De begraafplaats lag er mysterieus en spookachtig bij. Hoge grafstenen, marmeren engelen en eeuwenoude bomen tekenden zich af tegen de schemerige lucht.
— ‘Geen zaklampen,’ waarschuwde Elena toen we over het lage stenen muurtje klommen. ‘We bewegen in de schaduw.’
We liepen door de lange, met grint bedekte paden. Ik kende de route uit mijn hoofd. Vijf jaar lang was ik elke zondag naar dit graf gegaan. Ik had verse bloemen gebracht, ik had tegen de grafsteen gesproken, ik had gehuild om het verlies van de vrouw van mijn leven. En nu stond ik hier, met een wapen in mijn kleding, om haar graf te schenden en de schrikbarende waarheid op te graven.
Toen we de sectie van de recentere graven naderden, bleef Elena abrupt staan. Ze greep mijn schouder en duwde me achter een groot, granieten mausoleum.
— ‘Kijk,’ fluisterde ze.
Aan het einde van het pad, precies voor het graf met de naam Astrid van der Meer (1955-2021), stonden twee gestalten.
Ze droegen lange regenjassen en hadden draagbare, krachtige schijnwerpers bij zich. Een van hen hield een automatische shotgun vast, terwijl de ander bezig was met een opvouwbare metaaldetector over de zwarte aarde van het graf te bewegen.
En aan de voet van het graf stond mijn broer Robert.
Hij droeg een brede paraplu en keek met een mengeling van vreugde en wreedheid toe hoe zijn mannen zich klaarmaakten om de grond open te breken.
— ‘Graven, mannen,’ hoorde ik Roberts stem over de stille begraafplaats schallen. ‘Graaf het op. Ik wil die stalen koker hebben voordat het daglicht wordt. En als mijn lieve broer Willem komt opdagen… schiet hem op zijn knieën. Ik wil dat hij ziet hoe ik zijn hele leven definitief vernietig.’
Mijn handen balden zich tot vuisten. Mijn kaken op elkaar geklemd. De pijn van het verlies van Nadia en de woede over het verraden worden door mijn eigen bloed smolten samen tot een ijzeren wil.
— ‘Wat is het plan?’ fluisterde ik naar Elena.
Elena keek naar haar pistool, en daarna naar de twee gewapende mannen.
— ‘Er zijn er drie,’ zei ze zacht. ‘Ik neem de twee bewakers met het vuurwapen. Jij zorgt dat je de stalen koker grijpt zodra ze hem bovenhalen. Maar Willem… wees voorzichtig. Robert heeft een geladen pistool in de zak van zijn jas.’
Voordat we in actie konden komen, gebeurde er iets onverwachts.
De man met de metaaldetector stopte plotseling. Het apparaat begon een hard, ononderbroken piepklein geluid te maken.
— ‘Baas! Ik heb wat!’ riep de man.
Hij pakte een schep en stak die met volle kracht in de zachte, natte aarde van het graf.
Maar net toen het metaal van de schep de grond raakte, klonk er een doffe knal van onder de aarde.
Een explosie!
Niet een grote bom, maar een kleine, tactische landmijn die onder de bovenste laag aarde was verborgen. Een wolk van modder, stenen en rook spatte omhoog. De man met de schep werd door de drukwolf achterover geblazen en bleef bewegingloos op het pad liggen.
Robert deinsde met een schreeuw van schrik achteruit, zijn paraplu viel op de grond.
— ‘Wat het te beteken?!’ schreeuwde hij, terwijl de rook langzaam optrok.
Uit de schaduw achter de grote eikenboom achter het graf stapte een gestalte tevoorschijn.
De persoon droeg een zwarte capuchon, maar toen het licht van de gevallen schijnwerper op het gezicht viel, voelde ik mijn hart letterlijk stilspringen.
Het was lang, glanzend zwart haar.
Het was het gezicht van mijn dochter Nadia!
Ze leefde!
— ‘Hallo, oom Robert,’ sprak Nadia met een stem die zo koud was als het graf waarop ze stond. ‘Dacht je echt dat ik zo makkelijk te doden was?’
(Wordt vervolgd in deel 7…)
---






