Het oorverdovende geluid van het alarm sneed door de ruimte als een alarmsirene in oorlogstijd. De rode waarschuwingslichten op de schermen wierpen een bloedrode gloed over de kille, witte muren van de kamer. Advocaat Van Buren vloog meteen naar het bedieningspaneel aan de muur en sloeg op een grote, ronde knop. Heavy stalen luiken zakten voor de ramen en de toegangsdeur werd met een doffe klap dubbel vergrendeld.
— ‘Ze hebben de GPS-tracker op onze auto gevolgd!’ schreeuwde Van Buren paniekerig. Hij pakte een zware kluis onder het bureau open en haalde er twee pistolen uit. ‘De chauffeur was een verrader! We hebben hooguit vijf minuten voordat ze door de stalen deur heen branden!’
Mijn hoofd tolde. Robert? Mijn jongere broer Robert?
Robert was dertig jaar geleden naar het buitenland verhuisd, zogenaamd om een vastgoedbedrijf op te bouwen in Canada. We hadden nog zelden contact, afgezien van een zakelijke kerstkaart elk jaar. Hoe kon mijn eigen broer — de jongen met wie ik vroeger op de vijver in het park schaatste — de leider zijn van een gewelddadig misdaadsyndicaat? Hoe kon hij verantwoordelijk zijn voor de moord op mijn dochter Nadia?
— ‘Dat is onmogelijk…,’ stamelde ik, terwijl ik mezelf vastgreep aan de rand van de tafel. ‘Robert zou zoiets nooit doen! Hij is een zakenman, geen moordenaar!’
Elena Vance stapte op me af. Haar grijze ogen boren zich met een meedogenloze intensiteit in de mijne.
— ‘Robert is nooit naar Canada gegaan, Willem!’ riep ze boven het lawaai van het alarm uit. ‘Dat was een dekmantel! Hij heeft veertig jaar lang onder de naam Baron Von Bismark gewerkt vanuit een schaduwnetwerk in Frankfurt. Hij heeft je vrouw geholpen haar dood te faken, omdat hij haar wilde chanteren met de papieren van het familiekapitaal! En toen Nadia de kist in Rijckholt vond, heeft Robert persoonlijk de opdracht gegeven om haar te laten verdwijnen!’
Een ijskoude woede, zo diep en donker dat ik mezelf niet meer herkende, begon in mijn borst op te borrelen. De man die mijn dochter had vermoord, was mijn eigen vlees en bloed. De man die mijn hele leven in een leugen had veranderd, was mijn broer.
BAM! BAM! BAM!
Een reeks hevige doffe slagen klonk tegen de stalen deur van de kamer. Het metaal begon zichtbaar te vervormen. De indringers beneden in de garage waren de trap opgekomen en gebruikten zwaar gereedschap of snijbranders om binnen te dringen.
— ‘Elena! De geheime uitgang, nu!’ riep Van Buren, terwijl hij zijn pistool doorlaadde en zich achter een zware eikenhouten tafel posteerde.
Elena greep me bij mijn arm en trok me mee naar de achterkant van de ruimte, waar een onopvallende houten kast tegen de muur stond. Ze duwde met volle kracht tegen een van de kastenwanden. De achterwand klapte weg en onthulde een smalle, donkere onderhoudsschacht met een stalen trap die naar beneden leidde.
— ‘Klimmen, Willem! Snel!’ beval ze.
— ‘En jij dan? En Van Buren?’ vroeg ik, terwijl ik aarzelde op de drempel van de donkere diepte.
— ‘Ik dek de wijk,’ zei Van Buren met een ijzeren blik. ‘Als ze mij te pakken krijgen, hebben ze de advocaat. Maar als ze jou of de kist krijgen, is alles voor niets geweest. Ga!’
Voordat ik kon reageren, duwde Elena me de schacht in. Ze klom er direct achteraan en trok de houten kastdeur achter ons dicht. Het werd pikdonker. Alleen het schijnsel van een klein zaklampje dat Elena tussen haar tanden klemde, verlichtte de glimmende, roestige sporten van de stalen ladder.
Boven ons klonk een enorme ontploffing. Het geluid van brekend staal en rondvliegend glas galmde door de schacht, gevolgd door het droge knallen van automatische geweerschoten. Ik hoorde een schreeuw van Van Buren, gevolgd door een kille, diepe stilte.
Tranen van angst en uitputting stroomden over mijn wangen, maar Elena duwde me meedogenloos verder naar beneden.
— ‘Niet stoppen, Willem! Blijf klimmen!’
We daalden tientallen meters af in de ondergrondse infrastructuur van het gebouw. Mijn oude gewrichten schreeuwden van de pijn, mijn longen brandden, maar het adrenalinepeil in mijn bloed hield me overeind. Na wat een eeuwigheid leek, kwamen we aan op de bodem van de schacht. We stonden in een vochtige, naar riool en diesel stinkende betonnen tunnel.
Elena trok een klein draagbaar beeldscherm uit haar tactische vest en schakelde het in. Het scherm toonde een live GPS-kaart van de stad Rotterdam.
— ‘De auto van Van Buren was inderdaad gehackt,’ zei ze gejaagd, terwijl ze de route analyseerde. ‘Maar ze weten niet dat we de originele papieren niet bij ons hebben.’
Ik keek haar verbaasd aan.
— ‘Wat bedoel je? En dat zwarte kistje dat je boven op tafel had staan?’
Elena glimlachte grillig.
— ‘Dat kistje was een lokaas, Willem. Denk je nu werkelijk dat ik de bewijzen die het leven van je dochter hebben gekost in een willekeurige kantoorruimte zou laten liggen?’
— ‘Waar zijn de papieren dan?!’ riep ik, gefrustreerd door de eindeloze spelletjes.
Elena bleef staan en keek me strak aan onder het kille licht van de tunnel.
— ‘De papieren hebben uw huis nooit verlaten, Willem. De papieren zaten verwerkt in het voeringmateriaal van de kobaltblauwe urn zelf. Toen de urn op de schouw kapot sloeg, zijn de documenten niet verbrand, maar lagen ze verborgen onder het puin in uw woonkamer. En dat is precies waar uw broer Robert nu naartoe onderweg is.’
Mijn adem stokte. Mijn oude grachtenpand. De plek waar ik veertig jaar lang in vrede had geleefd, was veranderd in het middelpunt van een dodelijk strijdperk.
— ‘We moeten terug,’ zei ik met een vastberadenheid die ik mezelf nooit toegedicht zou hebben. ‘We moeten terug naar de gracht.’
— ‘Dat is een zelfmoordmissie,’ zei Elena koud. ‘Robert heeft het hele huizenblok afgezet met zijn mannen. Als we daar zomaar naartoe lopen, schieten ze ons neer voordat we de straat bereiken.’
— ‘Ik ken dat huis beter dan wie dan ook,’ zei ik, terwijl ik een stap naar haar toe zette. ‘Ik woon er al vijftig jaar. Er is een oude voorraadkelder uit de achttiende eeuw die doorloopt onder de gracht door naar de overkant. Robert weet daar niets van. Als er iemand is die ongemerkt de woonkamer in kan komen, ben ik het.’
Elena keek me lang aan. Voor het eerst zag ik een twijfel in haar blik veranderen in respect.
— ‘Goed,’ zei ze ten slotte. ‘We gaan terug naar de gracht. Maar we doen het op mijn manier.’
Ze haalde een klein, zwart apparaatje uit haar zak en drukte op een knop. In de verte van de tunnel hoorden we het lage, krachtige ronkende geluid van een scheepsmotor die gestart werd.
— ‘We nemen de oude rioolkanalen naar de Maas,’ zei ze. ‘En Willem… als we je broer ontmoeten, beloof me dan één ding.’
— ‘Wat?’
— ‘Laat mij het schot lossen.’
We haastten ons door de donkere tunnel richting het motorgeluid. Maar net toen we een hoek om sloegen, verlichtte een felle lichtstraal van de andere kant van de tunnel onze gezichten.
— ‘Halt! Geen beweging!’ riep een stem met een zwaar Duits accent.
Vier gewapende mannen in zwarte uniforms kwamen uit de schaduwen tevoorschijn, hun wapens strak op ons gericht. En achter hen stapte een lange, slanke man naar voren. Hij droeg een dure mantel, had grijs achterovergekamd haar en een zilveren wandelstok met een knop in de vorm van een slangenkop.
Toen het licht op zijn gezicht viel, voelde ik hoe de aarde onder mijn voeten wegzakte.
Het was mijn broer Robert.
Hij keek me aan met een ijzige, wrede glimlach en zei:
— ‘Dag, broertje Willem. Wat fijn dat je het werk voor mij zo makkelijk hebt gemaakt.’
Robert tilde zijn wandelstok op en richtte de scherpe, stalen punt recht op mijn keel.
(Wordt vervolgd in deel 5…)
---






