Het schrapende geluid van de kofferwieltjes over de tegels in de gang klonk als een ijzeren zaag die langzaam door mijn hart sneed.
Ik was Willem, 73 jaar oud, en woonde alleen in een oud, karakteristiek huis aan een rustige gracht in Rotterdam. Mijn hele leven had zich in alle kalmte voortgesleept, als het water van de Maas, tot die ene middag.
Nadia, mijn enige dochter, was inmiddels 44 jaar oud. Ze stond voor de voordeur met een asgrijze leren koffer. Ze was altijd de rustigste, stilste en meest teruggetrokken van het gezin geweest. In haar hele leven had ze nooit iets gedaan wat voor opschudding of problemen zorgde. Maar op dat moment brandde er een vreemde gloed in haar ogen die ik in vierenveertig jaar nog nooit had gezien. Haar blik was vastberaden, maar tegelijkertijd vervuld van een angstaanjagende obsessie.
Nadia draaide zich naar me om en sprak met een stem die zo koud was als ijs:
— ‘Pap, wanneer ik terugkom, zal ik niet langer de dochter zijn die jij denkt te kennen. Doe alsof je vanmiddag helemaal niets hebt gezien.’
Mijn oude hart kromp ineen. Ik deed een stap naar voren en vroeg bevend:
— ‘Waar ga je heen, Nadia? Is er iets gebeurd, lieverd?’
Nadia antwoordde niet meteen. Ze glimlachte vreemd, met een bittere, pijnlijke grijns die ik nog nooit op haar anders zo vriendelijke gezicht had gezien.
— ‘Ik ga naar de plek waar mama begraven wilde worden.’
Daarna stapte ze naar buiten. De zware houten deur sloeg met een dreun dicht, en het geluid galmde door het donkere huis.
Ik bleef als aan de grond genageld staan. Mijn hele lichaam voelde ijskoud aan.
De plek waar mama begraven wilde worden?
Maar mijn vrouw, Astrid, was vijf jaar geleden overleden aan een meedogenloze vorm van kanker. Haar as stond nog altijd veilig opgeborgen in de kobaltblauwe keramische urn op de boekenplank in de woonkamer.
Waarom had Nadia zoiets gezegd?
Drie weken van angstaanjagende stilte
Er verstreken drie weken. Eenentwintig dagen die aanvoelden als eenentwintig eeuwen.
Ik kon niet slapen. Ik belde Nadia talloze keren, maar telkens hoorde ik alleen de levenloze stem van haar voicemail.
‘Het nummer dat u probeert te bereiken, is momenteel niet bereikbaar…’
Ik ging naar haar appartement in de Rotterdamse wijk Delfshaven, maar de deur zat op slot. Ik vroeg haar vrienden of ze wisten waar ze was, maar niemand kon me iets vertellen.
De bezorgdheid vrat iedere nacht aan mijn gedachten. Langzaam begon ik zelfs aan mijn eigen geheugen te twijfelen.
Had Astrid, mijn overleden vrouw, misschien een geheim verborgen gehouden voordat ze haar ogen voor altijd sloot? Of leed Nadia aan een psychische aandoening waarvan ik nooit iets had gemerkt?
Op donderdagmiddag, in de derde week van haar verdwijning, werd Rotterdam geteisterd door een stortbui. De regen kletterde tegen de ramen en maakte het huis nog eenzamer.
Ik zat in mijn oude fauteuil, met een inmiddels koude kop kamillethee in mijn handen. Mijn blik bleef rusten op Astrids urn op de boekenplank.
Plotseling hoorde ik het gerammel van een sleutel in het slot.
Ik schrok zo hevig dat mijn kopje uit mijn handen viel. Het porselein spatte met een droge klap uiteen op het tapijt.
De zware houten voordeur ging langzaam open.
De vrouw in de gang
Een gestalte stond bewegingloos in de schemerige gang.
Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. Mijn wandelstok trilde in mijn hand. Ik zette een paar voorzichtige stappen naar voren, maar bleef abrupt staan.
De persoon voor me was een volslagen vreemde.
Het was een vrouw met kort, zilvergrijs haar dat in golven over haar hoofd viel. Ze zag er totaal anders uit dan Nadia, die altijd lang, glanzend zwart haar tot aan haar middel had gehad.
Ze droeg een versleten donkerbruine leren jas en een dikke wollen sjaal die de helft van haar gezicht bedekte. Zelfs haar houding en manier van lopen waren veranderd. Nadia liep altijd rechtop en gracieus, maar deze vrouw bewoog zwaar en beslist, alsof ze jarenlang hard lichamelijk werk had verricht of een verwonding met zich meedroeg.
— ‘W-wie… wie bent u?’ vroeg ik trillend, terwijl ik mijn wandelstok steviger vastgreep.
De vrouw trok langzaam haar sjaal naar beneden.
Haar gezicht werd zichtbaar. Ze had donkere kringen onder haar ogen, een door weer en wind getekende huid en een klein, pas genezen litteken naast haar kaak.
Maar toen ze haar lippen opende, bevroor mijn bloed in mijn aderen.
— ‘Pap…’
Het was Nadia's stem!
Precies dezelfde toonhoogte, dezelfde ademhaling, dezelfde intonatie. Er bestond geen enkele twijfel over.
Ik deinsde achteruit en schudde geschrokken mijn hoofd.
— ‘Nee… Dat kan niet! Wie bent u? Wat hebt u met mijn Nadia gedaan? Mijn dochter heeft zwart haar! En zij loopt niet zoals u!’
De vrouw keek me aan met diepe, grijze ogen vol medelijden en ondraaglijk verdriet.
Ze stapte naar binnen en sloot de deur zachtjes achter zich. De geur van regen, vochtige aarde en een vreemde chemische substantie vulde de gang.
Ze liep naar de bank en ging langzaam zitten, alsof iedere beweging haar hevige pijn bezorgde.
— ‘Pap, ga zitten. Ik moet je vertellen wat mama me heeft verteld in de laatste nacht van haar leven.’
De handgeschreven brief en de uitdovende kaars
De woonkamer werd overspoeld door een beklemmende stilte. Alleen de regen tikte zachtjes tegen het dak.
Trillend ging ik in de fauteuil tegenover de vrouw zitten die beweerde mijn dochter te zijn. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.
Nadia, of de vrouw die haar stem droeg, haalde een vergeelde envelop uit de zak van haar jas. De randen waren versleten en gescheurd, alsof de brief honderden keren was geopend en opnieuw gelezen.
— ‘Vijf jaar geleden, in de nacht voordat mama haar laatste adem uitblies in het Erasmus MC,’ begon Nadia met gedempte stem, ‘vroeg ze jou om een glas appelsap voor haar te halen. Weet je dat nog, pap?’
Ik was verbijsterd.
Natuurlijk wist ik dat nog!
Die avond had Astrid trek gekregen in versgeperst appelsap. Ik was naar de cafetaria van het ziekenhuis gerend, maar daar hadden ze het niet. Daarom moest ik naar een supermarkt op drie straten afstand.
— ‘In de vijftien minuten dat je weg was,’ vervolgde Nadia, terwijl tranen in haar ogen verschenen, ‘pakte mama mijn hand vast. Ze haalde een klein sleuteltje en een briefje onder haar kussen vandaan. Ze liet me zweren op haar ziel dat ik de geheime kist in het oude huis bij Kasteel Rijckholt pas mocht openen wanneer ik 44 jaar werd, of wanneer jij niet langer in staat zou zijn de waarheid te verdragen.’
Ik staarde naar het piepkleine koperen sleuteltje op tafel.
— ‘Kasteel Rijckholt? Het oude huis?’ stamelde ik. ‘Daar is mama geboren, maar dat gebouw staat al meer dan dertig jaar leeg, sinds die beruchte brand!’
— ‘Leeg… of bewust aan het zicht onttrokken, pap?’
Nadia keek me recht in de ogen. Haar woorden sneden als scherpe messen.
— ‘De afgelopen drie weken ben ik daar geweest. Ik heb het verleden opgegraven dat jij en mama zo zorgvuldig hebben proberen te begraven. Ik heb mijn uiterlijk laten veranderen, mijn haar geverfd en alle sporen van de oude Nadia uitgewist, zodat niemand me nog kon opsporen!’
— ‘Je uiterlijk laten veranderen? Opsporen? Waar heb je het in vredesnaam over, Nadia?’ riep ik uit, terwijl angst en woede mijn borstkas deden opzwellen.
Nadia wees naar de kobaltblauwe urn op de boekenplank.
— ‘Pap… weet je heel zeker dat wat daarin zit werkelijk de as van mama Astrid is?’
De donderslag in de duisternis
Nadia's woorden kwamen aan als een mokerslag.
— ‘Je bent gek geworden!’ riep ik, terwijl ik overeind sprong. Mijn hele lichaam trilde. ‘Ik heb die urn persoonlijk van het uitvaartcentrum gekregen! Ik heb zelf gezien hoe ze haar lichaam naar het crematorium brachten!’
Nadia bleef onverstoorbaar.
Langzaam haalde ze een oude zwart-witfoto uit de vergeelde envelop. Een van de hoeken was door vuur zwartgeblakerd. Ze legde de foto op de salontafel.
Op de afbeelding stonden twee jonge vrouwen die als twee druppels water op elkaar leken. Ze waren ongeveer twintig jaar oud en stonden lachend voor een oud landhuis.
De ene droeg de smaragden halsketting die Astrid altijd om haar hals had gehad.
De andere droeg een zilveren armband met een gegraveerde slang die zich in een cirkel kronkelde.
— ‘Mama Astrid heeft nooit een tweelingzus gehad!’ hield ik vol, al begon mijn stem te trillar.
— ‘Dat is wat je vijfenveertig jaar lang hebt geloofd,’ fluisterde Nadia, met opnieuw die bittere glimlach op haar gezicht. ‘Mama Astrid had geen tweelingzus. Maar de vrouw met wie jij bent getrouwd… was niet Astrid.’
Ik hapte naar adem. De kamer leek om me heen te draaien.
— ‘W-wat?’
Nadia stond op en liep langzaam naar me toe. Haar asgrijze ogen boorden zich diep in de mijne.
— ‘De vrouw die vijfendertig jaar geleden in Rijckholt werd begraven, was de echte Astrid. De vrouw die veertig jaar met jou heeft samengeleefd en mij ter wereld heeft gebracht, heette in werkelijkheid Helena. Ze was een moordenares op de vlucht!’
Nadia zweeg even en haalde diep adem. Vervolgens fluisterde ze iets in mijn oor waardoor mijn hele wereld instortte.
— ‘En pap… de as in die urn is niet van mama. Wat daarin zit, is het stoffelijk overschot van de persoon die mama Helena vijfendertig jaar geleden heeft vermoord.’
Ze keek me strak aan en vervolgde:
— ‘En vorige week, toen ik de fundering van het oude huis openbrak, heb ik het geheim wakker gemaakt dat al die jaren begraven lag. Ik heb degenen die ernaar op zoek waren op mijn spoor gezet. Ze komen naar Rotterdam. Ze zijn nu vlak bij ons huis!’
Op datzelfde moment klonk er een oorverdovende knal.
BAM!
Het geluid kwam van de achterdeur.
Alle elektriciteit in het drie verdiepingen tellende huis viel onmiddellijk uit. De woonkamer werd ondergedompeld in een ondoordringbare duisternis.
Ik hoorde alleen nog mijn eigen, hortende ademhaling.
Toen klonk er een nieuw geluid.
Zware, metalen voetstappen.
Ze kwamen dichterbij, vanuit de gang.
En iemand was vastbesloten om binnen te komen…
(Wordt vervolgd in deel 2…)
---






