De Schim bij Gate C9
News Story

De Schim bij Gate C9

32 weergaven

Het zwarte water van de Vecht spatte in ijskoude nevels over de boeg van de motorboot. De boot schoot met gevaarlijke snelheid onder de lage bruggen door, richting de uitgestrekte meren van de Loosdrechtse Plassen. Achter ons hing een gigantische, zwarte rookkolom boven de plek waar ooit het landhuis ‘Vechtzicht’ had gestaan — de plek waar mijn zusje Charlotte en rechercheur Berg zojuist levend waren begraven onder de puinhopen van een woedende vlammenzee.

Ik zat op de bodem van de boot, gecontracteerd in de hoek, mijn knieën tegen mijn borst gedrukt. Ik huilde niet meer. Er waren geen tranen meer over. Er was alleen nog een diepe, gitzwarte holte in mijn binnenste. Alles wat ik liefhad, alles wat mijn leven betekenis gaf, was vernietigd. En de man die verantwoordelijk was voor deze nachtmerrie stond aan het roer, zijn ogen strak gericht op de duistere rivier voor ons.

Julian keek over zijn schouder naar mij. De rode gloed van de boordverlichting scheen op zijn strakke kaaklijn.

‘Fleur...’ zei hij met een schorre stem. ‘Ik weet dat je me haat. Ik weet dat je me ziet als een monster. Maar ik zweer je... ik wijd niet dat ze de explosieven zo snel zou ontsteken.’

Ik keek hem aan. Mijn blik was zo koud dat hij even leek te aarzelen. ‘Praat niet tegen mij, Julian. Bewaar je leugens maar voor de duivel als je straks in de hel belandt.’

‘Het waren geen leugens!’ riep hij wanhopig boven het brullen van de motor uit. ‘Alles wat ik voor jou voelde... de tijd die we samen hadden... dat was het enige echte in mijn hele verdomde leven! Mijn vader en grootmoeder hebben me vanaf mijn kindertijd gevormd tot wat ik ben. Ze hebben me geleerd dat mensen alleen maar pionnen zijn. Maar toen ik jou ontmoette...’

‘Hou je mond!’ schreeuwde ik, terwijl ik overeind krabbelde en me vasthield aan de rand van de boeg. ‘Rijd deze boot ergens tegenaan en maak er een einde aan! Dat is het enige waardige dat je nog kunt doen!’

Julian beet op zijn lip en zei niets meer. Hij stuurde de boot een smalle, met riet overgroeide sloot in die naar een afgelegen boothuis aan de rand van de Loosdrechtse Plassen leidde. Hij zette de motor uit en de boot gleed geruisloos de donkere houten loods binnen.

‘Uitstappen,’ zei hij zacht.

We klommen op de steiger. In de hoek van de loods stond een oude, onopvallende grijze personenauto geparkeerd. Julian opende het portier en wenkte me om in te stappen.

Ik keek om me heen. We waren midden in de polder, omringd door water en kilometers lege weilanden. Ontsnappen te voet was onmogelijk; hij zou me binnen twee minuten hebben ingehaald. Ik stapte in de bijrijdersstoel.

Julian stapte in, startte de motor en reed via de smalle polderwegen richting de A2.

‘Waar breng je me naartoe?’ vroeg ik, staarend naar de lege snelweg voor ons.

‘Naar een plek waar Helena ons nooit zal zoeken,’ zei Julian. ‘Een privé-vliegveldje nabij Lelystad. Er staat een klein tweemotorig toestel klaar. Over drie uur zijn we in Zwitserland. Daar heb ik een geheime bankrekening waar mijn vader en grootmoeder geen weet van hadden. We kunnen een nieuw leven beginnen, Fleur. Onder andere namen. Ver weg van dit alles.’

Een bittere lach ontvluchtte mijn lippen. ‘Een nieuw leven? Denk je echt dat ik de rest van mijn leven met de moordenaar van mijn zusje ga doorbrengen? Denk je dat ik elke nacht naast je kan slapen zonder te bedenken wanneer je mij gaat opofferen?’

Julian klemde zijn handen zo hard om het stuurwiel dat zijn knokkels wit uitsloegen. ‘Charlotte is niet dood, Fleur.’

Ik verstijfde. De adem stokte in mijn keel. Ik draaide me met een ruk naar hem toe. ‘Wat... wat zei je?’

Julian keek niet naar mij, maar hield zijn ogen op de weg gericht. ‘Charlotte en rechercheur Berg zijn niet dood. Toen de eerste explosie boven ons klonk, heb ik de nooddeur van de ondergrondse kluis geactiveerd. Een dikke stalen brandscheiding die het achterste gedeelte van de ijskelder afsloot van het hoofdhuis. De explosie heeft alleen het landhuis verwoest. De ijskelder is intact gebleven. Berg en Charlotte zaten achter de stalen deur. Ze zijn opgesloten, maar ze leven.’

Mijn hart begon als een razende te kloppen. Een piepklein vonkje hoop ontbrandde in de duisternis van mijn ziel. ‘Lieg je weer tegen me, Julian? Zeg je dit alleen om te zorgen dat ik niet uit deze rijdende auto spring?’

‘Ik zweer het op het graf van mijn moeder,’ zei Julian met een intensiteit die me deed twijfelen. ‘Ik heb de politie-frequenties gemonitord op de boordradio. Het Arrestatieteam is al bezig met het uitgraven van de ijskelder. Binnen een uur zijn ze bevrijd.’

Hij keek me een seconde aan. ‘Maar als Helena erachter komt dat Charlotte en Berg nog leven, zal ze haar mannetjes in de opsporingsdienst opdracht geven om hen in het ziekenhuis alsnog op te ruimen. Helena laat nooit losse eindjes achter.’

‘En waarom help je haar dan?!’ riep ik woedend.

‘Omdat ik geen keus had!’ snauwde Julian. ‘Helena heeft een gif in mijn systeem gespoten drie weken geleden toen ze erachter kwam dat ik het dossier wilde gebruiken. Een vertraagde neurotoxine. Elke achtenveertig uur heb ik een tegendosis nodig die alleen zij heeft. Als ik niet doe wat zij zegt, stref ik binnen twee dagen een afschuwelijke dood!’

De waanzin van de familie Van der Meer kende werkelijk geen grenzen. Het was een wespennest van verraad, chantage en onderlinge vernietiging.

Op dat moment ging de telefoon die op het dashboard luidde.

Julian zette de telefoon op de luidspreker.

De kille, rasperige stem van Helena van der Meer vulde de auto.

‘Julian... ik zie op de gps-tracker dat je onderweg bent naar Lelystad. Goed gedaan. Maar er is een verandering in het plan.’

Julian bleef kalm. ‘Wat voor verandering, grootmoeder?’

‘De helikopter van de politie heeft onze route gecoupeerd,’ zei Helena. ‘Rijd niet naar Lelystad. Ga naar de haven van IJmuiden. Steiger 4. Er ligt een vrachtschip te wachten dat vaart onder Panamese vlag. En Julian...’

‘Ja, grootmoeder?’

‘Breng het meisje mee. De koper van het netwerk in Zuid-Amerika heeft interesse getoond in haar. Ze wil er zeker van zijn dat de familie Van der Meer geen enkele getuige achterlaat. We verkopen haar aan het kartel.’

Mijn bloed werd ijs. Ik staarde naar de telefoon op het dashboard.

Julian keek me aan. Zijn gezicht was doodsbleek.

‘Begrepen, grootmoeder,’ zei Julian met een strakke stem. ‘We zijn er over dertig minuten.’

Hij verbrak de verbinding.

De stilte in de auto was verstikkend. We reden over de donkere snelweg richting de kust, de duisternis van IJmuiden tegemoet.

Julian greep plotseling onder zijn stoel en haalde er een klein, geladen pistool vandaan. Hij legde het wapen op mijn schoot.

Ik staarde naar het zwarte metaal op mijn schoot, en keek toen vol ongeloof naar Julian.

‘Wat... wat is dit?’ stammelde ik.

Julian keek me strak aan. ‘Over twintig minuten zijn we bij Steiger 4. Helena staat daar met vier gewapende bewakers. Als we daar aankomen, Fleur... wil ik dat je dit pistool op mij richt.’

Ik begreep er niets meer van. ‘Wat?!’

‘Het is de enige manier,’ fluisterde Julian, terwijl zijn ogen glommen van een wanhopige resoluutheid. ‘Als jij mij als gijzelaar gebruikt, kan Helena niet schieten zonder het tegendel van het gif te verliezen. En het geeft jou de kans om de trekker over te halen... bij mij, of bij haar.’

Het horloge op het dashboard tikte meedogenloos af. We naderden de havens van IJmuiden...