De Schim bij Gate C9
News Story

De Schim bij Gate C9

32 weergaven

Mijn hart hamerde in mijn keel. De paniek verlamde me voor een fractie van een seconde, maar het geluid van de zware, naderende voetstappen dwong mijn lichaam tot actie. Ik draaide me om en rennen was het enige wat telt. Ik sprintte door de marmeren gang van de vierde verdieping, wanhopig zoekend naar een uitweg. De lift halen was te riskant; als het deurtje sloot, wisten ze precies waar ik was, of erger nog, ze konden me opwachten op de begane grond.

‘Fleur! Wacht!’ hoorde ik Julians stem achter me roepen. Er klonk geen liefde meer in zijn stem, enkel een wanhopige, rauwe scherpte die ik nog nooit eerder bij hem had gehoord.

Ik gunde mezelf geen seconde om achterom te kijken. Bij de nooduitgang duwde ik met al mijn gewicht tegen de zware metalen stang. De deur vloog open met een luide knal en de koele, zoute avondlucht van de Egeïsche Zee sloeg in mijn gezicht. Ik stormde het betonnen trappenhuis in en rende op mijn hakken naar beneden, tree voor tree, alsof mijn leven ervan afhing — en misschien was dat ook wel zo.

Mijn gedachten tolden om elkaar heen. Charlotte. Mijn kleine zusje. Vijf jaar geleden was haar auto gevonden op de bodem van de Gelderse IJssel. Het portier stond open, maar haar lichaam was nooit geborgen. De politie verklaarde het tot een noodlottig ongeval, waarschijnlijk veroorzaakt door dichte mist en gladheid. En ik had het al die jaren geloofd. Ik had het verwerkt, getreurd en mezelf gedwongen om door te gaan met leven. En nu... nu hoorde ik mijn eigen schoonvader en mijn eigen echtgenoot praten over haar verdwijning alsof het een vuil familietrackrecord was dat onder de mat geveegd moest worden.

Beneden aangekomen duwde ik de nooddeur naar het buitenterrein van het hotel open. Ik bevond me aan de achterzijde van het complex, waar de rotsachtige paden steil naar beneden kronkelden richting de steegjes van Oia. Het was schemerig geworden. De beroemde zonsondergang van Santorini hulde de witte huisjes in een paarse en blauwe gloed, maar voor mij zag de wereld er opeens uit als een duister doolhof.

Ik stoefte mijn schoenen uit om sneller te kunnen rennen. De scherpe, warme stenen van het pad sneden in mijn voetzolen, maar de fysieke pijn viel in het niet bij de verlammende verraad-angst in mijn borst.

Toen ik de drukkere winkelstraat van Oia bereikte, mengde ik me haastig onder de drommen toeristen die stonden te kijken naar de ondergaande zon. Mijn ademhaling was piepend en onregelmatig. Ik keek over mijn schouder. Op de stenen trap, tientallen meters boven mij, zag ik twee silhouetten staan. Willem van der Meer, met zijn imposante houding en strakke maatpak, en naast hem Julian, die zoekend de menigte afspeurde.

Willem stak zijn arm uit en wees strak in mijn richting. Hij had me gezien.

‘Vervloekt!’ fluisterde ik binnensmonds.

Ik dook weg achter een groep Duitse toeristen en sloeg een smal, donker steegje in dat naar beneden leidde, weg van de hoofdweg. De steegjes van Oia waren een kriskras van trappen, doorgangen en doodlopende binnenplaatsen. Als ik hier verdwaalde, was ik erbij. Maar als ik op de hoofdweg bleef, zouden ze me binnen enkele minuten insluiten.

Terwijl ik voorthaastte, haalde ik mijn telefoon uit mijn tas. Het bericht dat me eerder verlinkt had door het geluidssignaal, stond nog steeds op de display. Het was afkomstig van een onbekend, afgeschermd nummer.

Ik opende de tekstbericht.

‘Kijk niet achterom, Fleur. Julian heeft de USB-stick gebruikt om jouw telefoongegevens te klonen toen je gisteravond sliep. Willem kent elke stap die je zet. Je bent in gevaar. Ga naar het kleine kapelletje met de blauwe koepel bij de oude haven van Armeni. Ik wacht daar op je. Als je de waarheid over Charlotte wilt weten, kom alleen.’

Mijn hand trilde zo erg dat ik het toestel bijna liet vallen. Wie had dit gestuurd? Was het een valstrik van Willem om me naar een afgelegen plek te lokken? Of was er nog iemand anders op dit eiland aanwezig die meer wist van het drama dat vijf jaar geleden mijn familie had verwoest?

Ik keek achterom. Boven aan de trap van het steegje verscheen het figuur van Julian. De man met wie ik mijn leven had willen delen. Hij keek naar beneden en onze blikken kruisten elkaar voor een fractie van een seconde in het halfduister. Zijn gezicht vertrok van een mengeling van schuldgevoel en wanhoop.

‘Fleur, alsjeblieft!’ riep hij. ‘Je begrijpt het niet! Laat me het uitleggen! Vader wil alleen maar...’

‘Blijf uit mijn buurt, Julian!’ schreeuwde ik, met een stem die overkwam als een zweepslag. ‘Raak me nooit meer aan!’

Ik keerde hem mijn rug toe en rende de lange, steile stenen trap af die naar de kleine baai van Armeni leidde. De weg naar beneden telde honderden treden, uitgehouwen in de zwarte vulkanische rotsen. Links van mij was de diepe, zwarte afgrond van de calderawateren; rechts de meedogenloze rotswand.

Mijn voeten bloedden intussen, maar de adrenaline overstemde alles. Achter mij hoorde ik de gehaaste stappen van Julian die de achtervolging inzette. Hij was sneller dan ik, zijn lange benen overbrugden twee treden tegelijk. Hij kwam dichterbij. Ik kon zijn zware ademhaling bijna horen.

Toen ik halverwege de afdaling was, sloeg een plotselinge vlaag van duizeligheid me op de borst. De shock van het verraad, de fysieke uitputting en de constante dreiging eisten hun tol. Mijn voet bleef haken achter een uitstekende steen. Ik struikelde en viel hard voorover.

Mijn knieën smakten tegen de harde treden. De pijn schoot door mijn been. Ik schreeuwde het uit en rolde een paar treden naar beneden voordat ik tot stilstand kwam tegen de stenen balustrade.

Toen ik opkeek, stond Julian boven aan de traptrede vlak bij mij. Hij was buiten adem, zijn ogen stonden wild.

‘Het is voorbij, Fleur,’ zei hij zacht, terwijl hij langzaam een stap naar beneden deed en zijn hand naar me uitstak. ‘Uiteindelijk win je het niet van mijn vader. Dat heeft nooit iemand gekund. Geef me je telefoon en kom mee terug naar het hotel. We kunnen dit oplossen. Alsjeblieft.’

Hij zette nog een stap. Ik keek naar zijn uitgestoken hand — dezelfde hand waaraan de glimmende trouwring zat die ik er drie dagen geleden zelf om had geschoven. In de verte, bovenaan de kade, zag ik het donkere silhouet van Willem van der Meer verschijnen, die als een meedogenloze heerser toekeek hoe zijn zoon het werk afmaakte.

Ik keek naar Julian, keek toen naar de diepe, zwarte zee ver beneden ons, en maakte mijn keuze.

Met een laatste krachtsinspanning greep ik een losse, zware vulkanische steen die naast me op de trap lag. Voordat Julian kon reageren, zwaaide ik de steen met volle kracht tegen zijn scheenbeen.

Julian slaakte een pijnlijk gehuil en ging door zijn hoeven. Hij verloor zijn evenwicht en viel op de stenen.

‘Fleur!’ schreeuwde hij, terwijl hij naar zijn been greep.

Ik twijfelde geen seconde. Ik krabbelde overeind, negeerde de vlijmende pijn in mijn knie, en rende met alles wat in me zat verder de trap af, de duisternis van de haven van Armeni tegemoet.

Beneden aangekomen was de kleine kade verlaten. De tavernes waren gesloten en het water van de zee klokte rustig tegen de stenen steiger. Aan de voet van de klif stond een klein, witgekalkt kapelletje met de karakteristieke azuurblauwe koepel. Er brandde een enkel kaarsje achter het kleine raam.

Met een bonzend hart stapte ik op de houten deur af en duwde deze open.

‘Hallo?’ fluisterde ik, mijn stem overslaand van de angst. ‘Is hier iemand?’

De deur klapte achter me dicht. Uit de schaduw achter het altaar stapte een gedaante naar voren. Het licht van de kaars scheen op een gezicht dat ik in geen vijf jaar had gezien.

Mijn adem stokte. Mijn knieën gaven het definitief op en ik viel op mijn knieën op de koude kerkvloer.

Voor mij stond een vrouw met lang, donker haar en dezelfde amandelvormige ogen als ik.

‘Charlotte...?’ stammelde ik.

De vrouw glimlachte droevig en zette een stap dichterbij. ‘Hallo, zusje. Het heeft veel te lang geduurd.’

Maagklappend hoorde ik buiten op de steiger het geluid van haastige voetstappen die de kapel naderden. Willem en Julian hadden me ingesloten.