De industriële contouren van de haven van IJmuiden doog op uit de dichte ze mist. Hoge hijskranen stonden als reusachtige, zwarte skeletten afgetekend tegen de nachtelijke hemel. De lucht rook naar zout water, roest en stookolie. Het geluid van de beukende golfslag tegen de pieren mengde zich met het doffe gebrom van de zware motoren van de vrachtschepen die in de dokken lagen te wachten.
Julian stuurde de grijze personenauto door de verlaten containerterminals van Steiger 4. De koplampen sneden door de dikke mistbanken. Mijn handen klemden zich zo hard om het zwarte metalen pistool op mijn schoot dat mijn vingers gevoelloos werden. Mijn hart klopte in een uitzinnig ritme tegen mijn ribbenkast.
‘Onthoud wat je moet doen, Fleur,’ zei Julian met een lage, rustige stem, terwijl hij de auto liet uitrollen achter een stapel verroeste scheepscontainers. ‘Zodra we uitstappen, zet je het wapen tegen mijn slaap. Laat Helena geen seconde denken dat je twijfelt. Ze kent geen genade, maar ze heeft mij nodig om toegang te krijgen tot de gekoppelde bankrekeningen in Panamese dollars. Zonder mij is het geld waardeloos.’
Ik keek hem strak aan. ‘En het tegendgif? Hoe weet ik dat ze het bij zich heeft?’
Julian haalde een klein, zilveren doosje uit zijn binnenzak en liet het zien. ‘Ze draagt de injectie-ampullen altijd in haar wandelstok. Er zit een verborgen compartiment in de knop. Als je haar kunt dwingen het wapen te laten zakken, moet je die wandelstok grijpen.’
‘En wat gebeurt er met jou, Julian?’ vroeg ik, terwijl mijn stem trilde. ‘Als dit voorbij is... als we dit overleven?’
Julian glimlachte droevig. Het was de eerste oprechte glimlach die ik in dagen op zijn gezicht zag. ‘Als dit voorbij is, Fleur... overhandig je mij aan de politie. Ik verdien de gevangenis. Misschien wel erger. Maar ik weiger te sterven als het hondje van Helena van der Meer.’
Hij zette de motor uit. De lichten doofden. De absolute duisternis en stilte van de kade omsloot ons.
Vijftig meter verderop, aan de rand van de steiger, lag een kolossaal zwart vrachtschip afgemerend. Op de steiger stond een luxueuze zwarte Mercedes met draaiende motor. Vlak naast de auto stonden drie breedgeschouderde mannen in donkere overjassen, hun handen diep in hun zakken verborgen. In het midden van het gezelschap zat Helena van der Meer op een opklapbaar stoeltje, gekleed in haar nertsbontjas, leunend op haar zware marmeren wandelstok.
‘Het is tijd,’ fluisterde Julian.
We stapten tegelijk uit de auto. Ik trok de slede van het pistool naar achteren — de harde klik klonk oorverdovend in de stilt van de nacht. Ik stapte achter Julian, sloeg mijn linkerarm om zijn nek en drukte de koude loop van het pistool strak tegen zijn rechter slaap.
Julian deed alsof hij tegenstribbelde en slaakte een kreet. ‘Laat me los, Fleur! Je bent gek geworden!’
Samen liepen we langzaam uit de schaduw van de containers, de kade op, richting het gezelschap bij de Mercedes.
De drie bewakers trokken bliksemsnel hun wapens en richtten ze op ons.
‘Halt!’ brulde een van de mannen met een zwaar Oost-Europees accent.
Helena van der Meer keek op. Haar rimpelige gezicht vertrok van een mengeling van verbazing en intense minachting toen ze zag hoe haar kleinzoon onder schot werd gehouden door het meisje dat ze zo onderschat had.
‘Kijk eens aan,’ zei Helena met haar rasperige stem. ‘Het schaapje heeft tanden gekregen.’
‘Laat je mannen hun wapens laten zakken, Helena!’ schreeuwde ik, met een stem die verrassend strak en onbuigzaam klonk over de kade. ‘Eén stap dichterbij en ik blaas Julians hersenen over deze tegelvloer! En dan kun je naar je geld in Panama fluiten!’
Helena bleef rustig zitten. Ze tikte met de marmeren knop van haar wandelstok op de stenen van de kade. Tik. Tik. Tik.
‘Denk je echt dat dat me wat uitmaakt, kind?’ zei de oude vrouw ijskoud. ‘Julian is een mislukking gebleken. Net als zijn vader. De familie Van der Meer heeft geen zwakke doden nodig. Als jij hem neerschiet, bespaar je mij de moeite om een kogel aan hem te verspillen.’
Mijn hart sloeg een slag over. Ze blufte. Dat moest wel!
‘Hij is de enige die de biometrische sleutel van de Zwitserse kluis heeft!’ riep ik wanhopig. ‘Zonder zijn oogscan kom je er nooit in!’
Helena’s ogen vernauwden zich. Eén van de bewakers keek twijfelend naar haar. Het was duidelijk dat ik een gevoelige snaar had getroffen; het geld was het enige waar deze monstrueuze familie om gaf.
‘Wat wil je, Fleur?’ vroeg Helena strak.
‘Ik wil de wandelstok,’ zei ik. ‘Gooi de wandelstok naar mij toe. En beveel je mannen om hun wapens in het water te gooien. Anders is het over en uit.’
Helena keek naar de marmeren knop van haar stok. Een kille, berekenende blik gleed over haar gelaat. Ze tilde de stok op en hield hem horizontaal vast.
‘Als je de stok wilt, meid... kom hem dan maar halen,’ zei ze zacht.
Op dat moment klonk er vanuit het dichte riet aan de rand van de havenkom het luide gebrul van een krachtige scheepsmotor. Een grote, verlichte patrouilleboot van de Koninklijke Marechaussee schoot uit de mist tevoorschijn en richtte een gigantische schijnwerper op de steiger!
‘POLITIE! HANDEN OMHOOG! LAAT JE WAPENS ZAKKEN!’ galmde het via een scheepsomroeper over het water.
De schijnwerper verblindde iedereen op de kade. Chaos brak uit.
De drie bewakers van Helena raakten in paniek en begonnen wild te vuren op de patrouilleboot. De Marechaussee beantwoorde het vuur direct met zware automatische wapens. Kogels ketsten af op de stalen containers en de Mercedes, waardoor vonken door de nacht vlogen.
‘Nu, Fleur!’ schreeuwde Julian.
Hij draaide zich bliksemsnel om, greep mijn pols en duwde me achter een dikke stalen bolder aan de rand van de kade.
In de chaos zag ik hoe Helena van der Meer overeind krabbelde en geholpen door een van haar mannen richting de gangway van het vrachtschip probeerde te vluchten. De marmeren wandelstok klemde ze stevig onder haar arm.
‘Ze mag die boot niet op!’ schreeuwde ik.
Julian keek naar de strijd op de kade. Eén van de bewakers lag al neergeschoten op de stenen. De andere twee waren in een hevig gevecht gewikkeld met Marechaussees die via de steiger aan land waren gesprongen.
Julian sprong overeind, negeerde de rondvliegende kogels, en rende als een waanzinnige achter zijn grootmoeder aan, de steile stalen loopplank van het vrachtschip op.
‘Julian! Nee!’ riep ik.
Ik rende achter hem aan. We stormden het dek van het gigantische vrachtschip op. De mist op het water maakte het zicht minimaal, maar ik hoorde het geluid van haastige voetstappen op het stalen dek.
Boven op het helideck aan de achterzijde van het schip stond Helena. Ze was alleen. Haar bewakers waren beneden uitgeschakeld of vlucht. Ze stond op de rand van het platform, de natte zeewind blies door haar bontjas en haar grijze haren.
Julian stapte het platform op. Hij was buiten adem, zijn gezicht nat van de regen en de nevel.
‘Het is voorbij, grootmoeder,’ zei Julian hees. ‘Geef me de stok. Geef me het tegendgif.’
Helena keek haar kleinzoon aan. Er lag geen angst in haar ogen, alleen een diepe, verwoestende waanzin.
‘Ik heb deze familie opgebouwd uit het niets, Julian,’ zei de oude vrouw met een stem die snijd als een ijspegel. ‘Ik laat het niet afnemen door jou. En zeker niet door dat meisje.’
Met een plotselinge, krachtige beweging tilde ze de zware marmeren wandelstok op en zwaaide hem boven de balustrade van het schip, boven de diepe, zwarte afgrond van de kolkende zee.
‘Als ik moet sterven... sterven we allemaal,’ zei ze met een afschuwelijke lach.
Ze liet de wandelstok los. Het doosje met het enige tegendgif dat Julians leven kon redden, viel in de zwarte diepte van de Egeïsche zee-stroom van de IJmuidense haven...
Julian twijfelde geen seconde. Met een wanhopige schreeuw duidde hij over de balustrade, achter de wandelstok aan, de ijskoude, zwarte diepte in...






